artikel

Verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid: zeven tips

bouwbreed 325

Arbeidsongeschiktheid komt in de bouwwereld bovengemiddeld voor. Dat is dus een risico waarmee je rekening moet houden, als werkgever en als zelfstandige. Maar verzekeringen zijn duur en lossen niet alle financiële gevolgen op. Bovendien moet je een studie volgen om te begrijpen hoe de voorwaarden in elkaar zitten. Cobouw helpt je op weg met zeven tips.

Verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid: zeven tips

Arbeidsongeschiktheid en de bouw: ze lijken bij elkaar te horen. Zo zijn stukadoorsbedrijven bijvoorbeeld koploper in WIA-uitkeringen: gemiddeld 13 per 100 werknemers. Ook werknemers in de dakdekkers- en timmerindustrie raken veel vaker dan gemiddeld arbeidsongeschikt. Als werkgever in de bouw is een goede collectieve ziekteverzuim- en arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het personeel dus een must. Maar hoe zit dat nu eigenlijk in elkaar?

1          Verzuim in de eerste twee jaar: bepaal zelf je betalingsrisico

Als werkgever heb je een loondoorbetalingsplicht als een werknemer ziek wordt. Die plicht geldt voor maximaal twee jaar. Je moet dan minimaal 70 procent van het loon doorbetalen. Gemiddeld kost een zieke werknemer 230 euro per dag. Die kosten kun je verzekeren met een ziekteverzuimverzekering. Daarin heb je meer te kiezen dan je misschien denkt.

De verzekeraar kijkt bij het bepalen van de premie naar het ziekteverzuim over de afgelopen jaren, de omvang van je personeelsbestand en vaak ook naar het aandeel oudere werknemers.  Je kunt zelf kiezen welk percentage van het loon je wilt verzekeren. Meestal kun je ook kiezen voor een eigen risico, in geld of in dagen. Zo beperk je de premie. Je betaalt dan wel zelf een deel van de loondoorbetaling.

Een optie is om voor een zogenaamde ‘stop loss’-verzekering te kiezen. Die keert alleen uit als de kosten van de loondoorbetaling hoger zijn dan wat je normaal zou verwachten. Je calculeert dus zelf een maximaal bedrag aan kosten in. Voor kleine bedrijven (tot zo’n 20 medewerkers) kan één zieke werknemer al een enorme kostenpost betekenen. Kies dan niet voor zo’n stop loss-constructie.

2          Blijf ook bij langdurige arbeidsongeschiktheid actief

Raakt een medewerker ziek of arbeidsongeschikt, dan ben je verplicht met behulp van de arbodienst passend werk te zoeken. Binnen of buiten het bedrijf. Het UWV kijkt daar streng naar. Werkt de medewerker onvoldoende mee, dan mag je zijn loon inhouden. Maar vindt het UWV dat je zelf als werkgever tekortschiet, dan kun je worden verplicht om na de periode van twee jaar nog eens 52 weken het loon van je werknemer door te betalen. Wees dus alert, actief en blijf in verbinding met de werknemer, anders gaat je het meer kosten.

3          Kies publiek of privaat

Na twee jaar ziekte wordt een werknemer gekeurd door het UWV. Bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid volgt een zogeheten IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) via het UWV.

Is de werknemer gedeeltelijk, maar voor meer dan 35 procent arbeidsongeschikt óf volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt, dan heeft hij recht op een zogeheten WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten). Bij minder dan 35 procent arbeidsongeschiktheid krijgt de werknemer geen uitkering.

Voor werkgevers is vooral de WGA van belang. Die gaat over personeel dat 35 tot 80 procent arbeidsongeschikt is.

Voor de WGA (en tegen het ziekteverzuimrisico) kun je je verzekeren bij het UWV – het ‘publieke’ stelsel óf als zogeheten ‘eigenrisicodrager’ bij een verzekeringsmaatschappij – het ‘private’ stelsel. Tussen die twee stelsels zitten nogal wat verschillen wat betreft premiebepaling en verzuimbegeleiding.

Over het algemeen betalen werkgevers bij het UWV een basispremie plus een gedifferentieerde WGA-premie, afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidsrisico. Voor kleinere werkgevers geldt een vaste, sectorbepaalde premie. Grotere bedrijven betalen een premie die meer aansluit op het daadwerkelijke arbeidsongeschiktheidsrisico in het bedrijf zelf.

Bij de private verzekeraars is de premie altijd gebaseerd op het werkelijke arbeidsongeschiktheidsrisico: daar betaal je dus altijd een bedrag op maat.

4          Houd rekening met de terugkeerpremie

Als je voor de Ziektewet bent verzekerd bij een private verzekeraar, mag je altijd besluiten om weer voor de verzekering via het UWV te kiezen. Maar je moet dan wel een zogenaamde ‘terugkeerpremie’ betalen. Daarmee wil de overheid voorkomen dat werkgevers bij premiestijgingen massaal kiezen voor de mogelijk gunstiger premie van het UWV.

5          Een lage premie is niet alles

Soms lijkt de premie die het UWV rekent gunstiger. Maar sommige private verzekeraars steken meer energie in het begeleiden en re-integreren van zieke werknemers. Een snelle terugkeer naar werk is immers in het voordeel van verzekeraar én van jou als werkgever. Daarmee nemen ze je veel taken uit handen. Je kunt bij goede verzuimbegeleiding en re-integratie de hogere premie al snel terugverdienen.

6          Voor zzp’ers: de aov-premie is aftrekbaar

Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor zelfstandigen zijn al een tijdje onderwerp van discussie. De premies zijn fors, zeker voor zzp’ers in de bouw. Je betaalt al snel vele honderden euro’s en de voorwaarden zijn soms ingewikkeld. Je moet goed opletten wanneer je precies een uitkering krijgt en hoe lang de uitkering wordt betaald. Dat verschilt per product en per verzekeraar. Wat de lasten drukt, is dat de premie voor een aov aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting. Dat scheelt al snel 42 procent.

7          Voor zzp’ers: er zijn alternatieven

Hoge premie of niet: juist als zelfstandige is het belangrijk om iets te regelen voor het geval je je werk niet meer kunt doen. Omdat de premies van de aov’s zo hoog zijn, kun je ook kijken naar een broodfonds. Dat is een soort ‘gezamenlijke pot’ van meestal rond de 20 zzp’ers. Die richten samen een fonds op waar ze elke maand een bedrag in storten. Mocht een van de leden ziek of arbeidsongeschikt worden, dan krijgt die een vooraf afgesproken bedrag uitgekeerd zolang hij of zij niet kan werken. Meestal is de uitkeringsduur beperkt tot twee jaar. Daarna moet je een andere oplossing zoeken.

Zo’n broodfonds kan een relatief goedkope oplossing zijn om tijdelijk inkomensverlies door ziekte op te vangen. Een voordeel is dat je – als je toch een aov afsluit – soms veel minder premie gaat betalen: je hoeft de eerste twee jaar immers niet af te dekken. En een wachttijd van twee jaar scheelt voor de verzekeraar. Afhankelijk van je financiële situatie kun je zelfs een nog langere wachttijd kiezen.

Omdat er in de bouw meer dan op andere werkplekken ongelukken plaatsvinden, is een arbeidsongeschiktheidsverzekering geen onverstandige optie. Maar twijfel je toch, sluit dat om te beginnen tenminste een behoorlijke ongevallenverzekering af. Die keert een eenmalige vergoeding uit als je door een ongeval invalide raakt of zelfs zou overlijden.

Meer lezen

CAR-verzekering: allrisk, maar niet allesdekkend

Een rechtsbijstandverzekering: loont dat?

Zin en onzin van een collectieve ongevallenverzekering

 

 

 

Reageer op dit artikel