artikel

Soms is één merk bus genoeg

bouwbreed 1914

Een nieuwe bus kopen is een fors besluit. Niet in de laatste plaats vanwege de kosten. Maar als je dan helder hebt wat je wilt en kunt uitgeven, begint het kiezen pas. Wat krijg je voor je geld, welk merk past het best bij je budget? Voor René Schleich was het merk het uitgangspunt. “Opel, iets anders komt er bij mij niet in.”

Soms is één merk bus genoeg
De bus van Schleich is extra lang. Alles past er gewoon in. Beeld: Ruud Jonkers

Dat de Zaanse bouwer zo verknocht is aan het Duitse merk is een vader-zoonding. “Het is mij met de paplepel ingegoten, mijn vader was jarenlang monteur bij Opel, we reden ook altijd Opel.” De merkliefde werd van vader op zoon moeiteloos doorgegeven. Zijn eerste auto was een Opel, hij onderhoudt de Kadet GSI van zijn moeder en in zijn loods staat, op de brug onder een groot beschermend doek, zijn trouwauto en het pronkstuk: een Rekord uit 1984. Zijn eerste bedrijfsauto, een Astra station, voldeed slechts negen maanden. Het gebrek aan ruimte brak hem op.

Zijn eerste bus, een tweedehands Vivaro, was een project op zich. Maar toen die haperde en repareren een kansloze missie bleek, nam hij de stap naar nieuw. “Ik dacht: weet je wat, het geld is er. We kopen een nieuwe bus.”

Gelimiteerde editie

Schleich staat naast zijn nu halfjaar oude glimmende Vivaro. “Ik vind het wel belangrijk dat het er goed uit ziet. Van doorsnee houd ik ook niet. Het moet wel speciaal zijn.” En speciaal is zijn bus: een Opel Vivaro Innovation, een gelimiteerde editie waarvan er slechts tweehonderd op de markt zijn gebracht. “Eigenlijk maar vijftig”, corrigeert Schleich zichzelf. “Van die tweehonderd zijn er honderd met een enkele cabine en daarvan zijn er maar vijftig verlengd.” Met zijn voet wijst hij naar het achterste gedeelte. Het is duidelijk, die van Schleich is extra lang. Eén van de weinige besluiten die vooral vanwege praktische redenen lijkt genomen. “Dan hoef ik ook niet meer te klooien met lang plaatwerk. Dat past er allemaal gewoon in.“ Hoewel ook hier de toevoeging van de liefhebber: “Het is ook gewoon mooier en niet zo standaard.”

Belettering

vakman bedrijfsbus

Foto: Ruud Jonkers

Hij heeft in ieder geval voor zichzelf helder: dat onderscheid tussen wel en niet mooi. Neem de belettering. Niet op de deuren en zijkanten en niet op de voorkant. “Dat vind ik eerlijk geen gezicht.” Niet mooi dus. Alleen achterop zit een sticker met logo en telefoonnummer. “Als ze het zien, dan rijden ze toch altijd achter je.” Geen speld tussen te krijgen. “Ik heb er zelfs nog over nagedacht om ook mijn telefoonnummer eraf te halen.”

Liefde

De zaken gaan goed, op korte termijn moet Schleich voornamelijk nee verkopen. “Maar ja, het is toch je visitekaartje.” En dus blijft het mobiele nummer gehandhaafd. En dat geldt voor de hele bus. Het is meer dan een bouwbus die man en materiaal van A naar B brengt. Op de weg is de bus zijn visitekaartje, zijn trots en misschien zelfs wel zijn liefde. En daar ga je voorzichtig mee om. Schleich doet het bestuurdersportier open en wijst op een buts van nog geen halve millimeter. Met een pijnlijk gezicht: “Gebeurd toen ik hem drie dagen had. Man, wat baalde ik ervan.” Niet makkelijk, maar hij kan ermee leven om dat het uit het zicht is.

Beveiliging

Een bus hoort er gewoon goed uit te zien. Ook als het om de beveiliging gaat. Aan de buitenkant is er weinig te zien, maar Schleich heeft er veel voor over dat niemand zijn bus openbreekt. “Dat gaat mij echt niet gebeuren”, klinkt het stellig. Hij wijst naar zijn loods, en specifiek naar zijn werkbank achterin. “Had ik net besloten om te investeren in mooi accugereedschap, zeker voor een paar duizend euro aan spullen stond daar. Hebben ze allemaal weggehaald.” Schleich vertelt hoe ze via een dakraam binnen zijn gekomen en alles van waarde hebben meegenomen. Het was weliswaar niet uit de bus, maar de impact werkt door.

Slapeloze nachten

Vanzelfsprekend zit er alarm op zijn wagen en rijd je er niet zomaar mee weg. Maar het zijn vooral de gereedschapsdieven die de bouwers slapeloze nachten bezorgen. Schleich wijst het aan bij de achterdeur: “Dan boren ze hier een gat en met een haakje wippen ze het zo open.” Maar niet bij Schleich. “Voor een paar honderd euro heb ik er laadruimtebeveiliging van Carbolt ingezet. Die deuren krijgen ze echt niet meer open.” De opmerking dat de dief er pas achter komt nadat hij al een gat in zijn mooie deur heeft geboord, wuift hij weg. “Liever een gat dan voor meer dan 5000 euro spullen kwijt.”

Iets speciaals

Klinkt logisch, maar voor een liefhebber moet de kans op boorgat toch ook weinig prettig voelen. “Wat moet ik dan? Je ziet het wel eens bij anderen, dan hebben ze voor veel geld een nieuwe bus gekocht, zetten ze er van buiten van die lelijke extra slotenbeveiliging op. Dat ziet er toch niet uit, dat doe je gewoon niet.” Niet als je van je bus houdt dus. En het valt op, zelf in de schemer van de vroege avond glimt de Opel je tegemoet. Hij merkt dat vaak toch wel even wordt opgekeken zodra hij voorrijdt. “Je komt toch in iets speciaals aan.” Het soort aandacht waar hij wel van houdt. Zoals hij met zijn oude Rekord op newtimer evenementen pronkt, zo rijdt hij met zijn gelimiteerde Vivaro de bouwplaats op. Regelmatig wordt hij er op aangesproken.

Onderhoud

vakman bedrijfsbus

René Schleich naast zijn nu half jaar oude glimmende bus: “Ik vind het wel belangrijk dat het er goed uitziet.”
Foto: Ruud Jonkers

De meeste gehoorde vraag: ‘hoeveel kost je dat nou per maand?’ Het antwoord: ‘helemaal niets’. “Als ik ergens een schurfthekel aan heb dan is het aan schulden, daar begin ik gewoon niet aan. Nee, deze is gewoon afbetaald.” Het geeft een rustig gevoel, ook voor het onderhoud. “In het eerste jaar zit er natuurlijk fabrieksgarantie op, daarom laat ik hem nu nog onderhouden bij de dealer.” Wat daarna gebeurt is duidelijk. Schleich wijst naar de loods. “Daarna doe ik het zelf, hoeft-ie straks alleen nog maar naar een garage voor de apk.” En als dat met net zoveel toewijding gebeurt als met de oude Opel personenauto’s van de familie, dan blijft deze bus nog wel wat jaren dienst doen voor het eigen bedrijf.

Ronkende motor

Lachend: “Ik ben nu bijna dertig dus ik denk dat er tussen nu en mijn pensioen misschien nog één bus tussen zit.” Het is alleen te hopen voor de Opelliefhebber dat de trend van elektrisch rijden niet doorzet. Met een zuur gezicht: “Nee joh, dat is toch niks voor mij.” Bij een auto horen nou eenmaal wat damp en vooral het ronken van een motor.” En hier is weer vooral de monteur en liefhebber aan het woord. Maar geen zorgen, de bus voldoet aan de strengste milieunormen die nu gelden. Dus hij kan voorlopig rustig naar zijn werkadressen binnen de Amsterdamse ring. De komende jaren zit Schleich wel goed in zijn Opel.

 

Reageer op dit artikel