nieuws

Dat ‘vrije’ partijen nooit openbaar aanbesteden geeft te denken

bouwbreed Premium

Opdrachtgevers in de bouw kunnen we verdelen in professionele en incidentele. Bij dit onderscheid is vooral van belang met welke frequentie zij zich op de markt begeven. Zo kan een woningcorporatie professioneel heten bij het geven van opdrachten voor onderhoud, maar als een incidentele opdrachtgever gelden voor nieuwbouw. Dit geldt voor meer spelers. Voor professioneel gedrag is in ieder geval van belang te beschikken over eigen kennis voor het met succes selecteren van opdrachtnemers. Verdere noodzakelijke kennis hangt samen met de eigen rol en de wijze van opdrachtverlening.

Onder de professionele opdrachtgevers treffen we aan: projectontwikkelaars, overheden, woningcorporaties, openbaar vervoerbedrijven, Pro Rail, kabelbedrijven, winkelketens, vastgoedverhuurders en bedrijven met meer vestigingen en onroerend goed in eigen beheer.
Bij incidentele opdrachtgevers denken we vooral aan particulieren, personen, zowel als bedrijven en andere organisaties, zoals ziekenhuizen en schoolbesturen. Kenmerkend is dat slechts sporadisch een bouwopdracht wordt gegeven. Incidentele opdrachtgevers zullen zich meestal laten bijstaan door professionals. Er zijn genoeg adviseurs en ontwerpers die deze rol op zich kunnen nemen. Dit geldt ook voor professionele opdrachtgevers. Overheden gaan er eveneens steeds meer toe over de opdrachtgeverfunctie uit te besteden. Er is daarbij een trend van een geheel nieuw soort adviseurs: bedrijven die lokale overheden helpen bij het ingewikkelde aanbestedingsproces. Weer een nieuwe adviseur erbij!
Voor de overheden: Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen gelden dikwijls bijzondere regels. Naast de algemene rechtsregels die voor alle opdrachtgevers gelden, kennen zij specifieke bepalingen voor het uitbesteden van werk. Invalshoek is daarbij het waarborgen van de concurrentie tussen opdrachtnemers (Europese aanbestedingsregels) en het nastreven van een zo groot mogelijke transparantie. Niet zelden hebben publieke opdrachtgevers een politiek vastgesteld statuut voor uitbestedingen. Het gaat immers om de besteding van algemene middelen.

Publiek en privaat

Overheden kiezen veel vaker dan private opdrachtgevers voor het in concurrentie op de markt brengen van werk. Dit geldt voor alle voor overheden. Boes en Dorée van de Universiteit Twente hebben recentelijk aangetoond in een aantal regionale analyses dat de laagste prijs een leidend beginsel is. De keuzemotieven bleken niet altijd rationeel: er is sprake van veel traditie (zo hebben we het altijd gedaan) en onkunde op het punt van interpretatie van de Europese mededinging. Strategisch beleid komt weinig voor (het fenomeen aanbesteden is voor bestuurders politiek niet interessant) en er is angst voor de boekhouder (aantonen van rechtmatigheid). Alles bij elkaar leidt dit tot een oververtegenwoordiging van traditioneel aanbesteden.
Al een aantal jaren bestaat bij de overheid het adagium (meer) marktwerking. Vatten we dit op als een ruim begrip dan wordt daarmee ook bedoeld, handelen zoals private partijen dit doen. In de private sector worden veel bouwopdrachten verstrekt zonder deze in concurrentie aan te besteden en dit kennelijk tot volle tevredenheid van de opdrachtgever. Toch zullen ook deze opdrachtgevers niet teveel willen uitgeven. De trits aanbesteden/concurrentie/laagste kosten, is ingeruild voor overleg/gezamenlijk kiezen/acceptabele prijs. Welke verschillen zouden we kunnen ontdekken? Is de uitkomst van de aanbesteding echt de laagste prijs?
• Voor opdrachten die worden aanbesteed moet een vraagspecificatie worden opgesteld (hoe meer gedetailleerd de vraag hoe beter je omschrijft wat je wilt, maar ook hoe hoger de vraagkosten), bij de één-op-één opdracht doe je dit gezamenlijk en worden misverstanden in een vroeg stadium ontdekt en uit de weg geruimd;
• De aanbiedingskosten zijn bij een aanbesteding meestal hoger en dit geldt zeker in maatschappelijk opzicht, want een aantal bedrijven rekent voor niets. En dit in twee betekenissen. Het verhoogt de algemene kosten die bij andere projecten moeten worden goed gemaakt. Uit onderzoek van bouwend Nederland blijkt dat de afgelopen periode de aanbiedingskosten met 100 procent zijn gestegen van gemiddeld 1 naar 2 procent. Dit voor de helft door overbodige administratieve eisen en voor de andere helft door toegenomen inspanningen door innovatieve bouworganisatievormen.
• Meer meerwerk of minder? Een economische wet is dat je krijgt waar je om vraagt. Als je een lage prijs wilt dan krijg je die ook. Tijd, geld en kwaliteit zijn onderling uitwisselbaar. Minder geld heeft effect op de factor tijd of op de factor kwaliteit. Een rapportcijfer 6 is dan een voldoende. Prijsconcurrentie leidt zo vaak tot een vechtmodel. En in dat gevecht zijn bouwbedrijven jarenlang getraind. Men doet dat vaak net wat handiger dan de gemiddelde opdrachtgever. Een perfect bestek bestaat niet en elke wijziging op het bestek leidt tot meerwerk. Meerwerk zal natuurlijk in beide gevallen optreden. Wensen en opvattingen kunnen tijdens het proces veranderen. Meerkosten die de opdrachtnemer wel en de opdrachtgever niet zagen aankomen zullen bij een aanbesteed werk meer optreden.
• Voor faalkosten, de vermijdbare kosten en dus verspilling geldt hetzelfde als voor het meerwerk. In een projectgebonden vechtmodel wordt het wiel steeds opnieuw uitgevonden; er is weinig stimulans voor verbetering en innovatie. Op de korte termijn merkt een opdrachtgever dat niet, op de langere termijn ontstaat een sector die zich niet verbetert.
• Kosten tijdens de exploitatie kunnen sterk verschillen afhankelijk van de kwaliteit van materialen en bouwuitvoering. Overleg tussen klant en bouwbedrijf biedt hier meer kans op een goede afloop.
We constateren dat private partijen veel minder aanbesteden. Uit het ongerijmde volgt dat daar voordelen aan zitten; anders zouden ze dat immers niet doen…. Wij beweren niet dat via een aanbesteding uitgevoerde projecten inferieur zijn. Ook bij ‘andere’ organisatievormen kan van alles mis gaan, zo blijkt in de praktijk. Het verschil in aanbestedingspraktijk tussen gww en b0x26u wordt voor een flink deel verklaard door de aard van de opdrachtgever: overheden ingeklemd in een institutioneel kader. Waarschijnlijk leent een flink deel van het soort werk in de gww zich ook meer voor aanbesteden op laagste prijs.
Maar het kan allemaal wat slimmer. Een juridische wapenwedloop is ongewenst, en uiteindelijk voegt een jurist geen waarde toe. Hoe dikker het bestek hoe groter de kans op afwijkingen en hoe dikker dus een volgend bestek weer moet zijn. Opdrachtgevers moeten zoveel mogelijk simpele vragen stellen.
Als je als opdrachtgever goed weet wat je wilt en het gaat om relatief simpele, uniforme projecten, dan werkt prijsconcurrentie heel goed. Het werkt niet goed in alle andere gevallen. Dan bestaat het gevaar op heel veel gedoe, budgetoverschrijding, mindere kwaliteit en uiteindelijk gewoon hogere kosten voor opdrachtgevers. Dus is het een illusie dat openbaar aanbesteden altijd leidt tot lagere kosten.
Dat partijen die de vrije keuze hebben (zoals private partijen) nooit openbaar en ook vaak niet onderhands op prijs aanbesteden, geeft te denken. Vooral de overheid kan hier wat van leren. En daartoe bieden ook de Europese regels meer dan voldoende mogelijkheden…

Leidt aanbesteden tot lagere kosten – 2

Aanbesteden is het in concurrentie vragen om prijsaanbiedingen voor een project aan verschillende bouwbedrijven. De bedoeling is dat de opdrachtgever op deze wijze zijn bouwwerk voor de laagste kosten verkrijgt. Een vooronderstelling daarbij is dat concurrentie automatisch leidt tot lagere kosten. Hoe meer concurrentie hoe beter; laat het bedrijfsleven maar zweten! Overigens is deze vooronderstelling, die ten grondslag ligt aan het gehele EU-mededingingsbeleid, voor zover wij weten, nergens met getallen onderbouwd. Een monopolie werkt natuurlijk niet; daar worden bedrijven lui van. Echter ongebreidelde concurrentie heeft ook de nodige nadelen! Het is de vraag of aanbesteden inderdaad leidt tot de laagste kosten en of daarmee de beste verhouding van prijs en kwaliteit wordt gerealiseerd. In twee artikelen plaatsen Adri Buur en Frens Pries een aantal kanttekeningen bij het fenomeen en stellen de vraag waarom private opdrachtgevers veel minder vaak van deze wijze van opdrachtverlening gebruik maken. Vandaag deel 2 waarin de verschillende opdrachtgevers naast elkaar worden gezet. (Het eerste deel verscheen op 24 november)

Reageer op dit artikel