blog

Het nieuwe duurzame bouwen: mislukte experimentele architectuur kan weer snel in ‘depot’ gezet

bouwbreed 477

Het nieuwe duurzame bouwen: mislukte experimentele architectuur kan weer snel in ‘depot’ gezet

Het nieuwe Jaarboek Architectuur in Nederland biedt interessant discussiemateriaal voor duurzamer bouwen. Jan den Boer pleit voor een nieuw architectonisch onderzoek, met een helder onderscheid tussen duurzame architectuur voor de langere termijn ‘waarvan we houden’, en experimentele architectuur die als het nodig is zonder veel economische en milieu kosten weer gesloopt, ofwel: ‘geupcycled’ kan worden.

Het leven is goed in de architectuur in 2018. Te goed misschien? – vraagt het Jaarboek Architectuur in Nederland 2017/2018 zich af. Het boek is één groot verlangen naar het denken en engagement van de crisisjaren: duurzaam, inclusief, co creatief, een economie van delen in plaats van bezitten. Een Nieuwe Architectuur, weg van de iconen, gericht op maatschappelijke meerwaarde. Het is de redactie gelukt om deze lessen van de crisis zichtbaar te maken in hun keuze voor de beste architectuur van het afgelopen jaar. Projecten die tegen de puur economische logica in de wereld beter maken en de verbeelding aanspreken. En tegelijkertijd stelt het Jaarboek de grote vraag: hoe verder, wat is het hogere doel nu we uit de crisis zijn?

Daar spreekt het Jaarboek zich af toe op een interessante manier tegen. De keuze voor de projecten is toch weer vrij eenzijdig uit het modernistische idioom. Maar Robert-Jan de Kort heeft ook kritiek op de bestaande architectuurpraktijk met zijn ‘nog altijd starre opvattingen over oud en nieuw.’

Met de renovatie van het voormalige ministerie van Economische zaken in Den Haag laat hij zien wat de gevolgen van vernieuwingsdrift kan zijn voor het ideaal van duurzaamheid. Hans Ruijssenaars voegde in 1994 een forse uitbreiding toe in de postmoderne hightechstijl aan het statige neoclassicistische gebouw uit 1917. Nu is dat een voorbeeld van ‘architectonisch downcyclen’. Omdat het nu al niet meer voldeed en het gebouw opnieuw gerenoveerd moest worden. Wat onder meer leidde tot een aanzienlijke berg sloopafval. Duurzamer is het zogenaamde ‘architectonisch upcyclen’. Hergebruik kan leiden tot een product van lagere of van hogere kwaliteit dan het origineel. En om kwaliteit te bereiken die hoger is dan het origineel, moet een ander belangrijk dogma in de architectuur aangepakt worden: ‘het veel gebezigde mantra in de monumentenzorg dat nieuwe toevoegingen aan monumenten duidelijk zichtbaar moeten zijn en daarmee een op zichzelf staand onderdeel worden van het monument.’

Helaas heeft het jaarboek nu toch ook weer voor dit soort uitbouwtjes van staal, glas en beton gekozen waar monumentaal Nederland al vol mee staat, onder meer van Rijnboutt aan een monumentale gracht in Leiden en van Barend Koolhaas aan de Koninginneweg in Amsterdam.

Moeten we dit soort experimenten in de architectuur dat niet meer doen? Natuurlijk zijn er altijd architect ego’s die iets zichtbaar ‘nieuws’ willen doen in een oude stad. Moet ook kunnen. Maar dan wel net zoals in een museum. Zodat het op termijn, als het nieuwtje eraf is, weer in een ‘depot’ kan, net als bij kunst in een museum, zonder economische en milieukosten.

En dat kan. Een mooi voorbeeld is de People’s Pavilion van bureau SLA & OvertredersW in Eindhoven. Een volledig circulair gebouw, een week lang intensief gebruikt tijdens de Dutch Design Week, daarna weer volledig gedemonteerd en alle onderdelen terug naar hun rechtmatige eigenaars.

Zo bieden moderne bouwtechnieken een mogelijkheid om een heel nieuw onderscheid in de architectuur te gaan maken. Enerzijds gebouwen die je bouwt voor de ‘eeuwigheid’, in de woorden van Robert-Jan de Kort in het Jaarboek: ‘gebouwen waarmee we ons verbinden – waarvan we houden – zijn de beste vorm van een duurzame leefomgeving.’ Langdurig onderzoek laat zien dat een gezonde mix van herkenbaarheid en vernieuwing daaraan het beste voldoet. Dat betekent dus

kopiëren uit het complete idioom van de architectuur, en niet alleen uit het modernisme van de jaren 20 van de vorige eeuw. Een prachtig pleidooi hiervoor geeft Winy Maas in zijn boek ‘Copy Paste. The badass Architectural Copy Guide.’ En met projecten zoals de Glazen boerderij in Schijndel en een gevel van glastenen in de P.C. Hoofdstraat in Amsterdam laat hij zien hoe vernieuwend en mooi dat kan zijn.

Ik pleit voor een nieuw architectonisch onderzoek, met een helder onderscheid tussen duurzame architectuur voor de langere termijn waarvan we houden, en experimentele architectuur die als het nodig is zonder veel economische en milieu kosten weer gesloopt, ofwel: ‘geupcycled’ kan worden.


Jan den Boer, stedenbouwkundige en filosoof en werkzaam als projectmanager bij de gemeente Utrecht. Hij publiceerde vele artikelen en ondermeer het boek ‘De stad is van iedereen‘.

 

Reageer op dit artikel