artikel

Hoge Raad geeft richting in het auteursrecht

bouwbreed Premium 728

Je ziet het regelmatig tegenwoordig: transformatie van leegstaande kantoorpanden. Bijvoorbeeld tot appartementencomplexen. Alleen al in een straal van – pak hem beet – 250 meter van mijn eigen kantoor hebben ten minste twee kantoorpanden zo’n transformatie ondergaan. Zo’n transformatie gaat in de regel gepaard met een wijziging van het ontwerp.

Hoge Raad geeft richting in het auteursrecht

In Edam bijvoorbeeld had in 1973 een kantooruitbreiding plaatsgevonden naar een ontwerp van een bekende architect. De huidige eigenaar, een projectontwikkelaar, wilde deze kantoorbebouwing, na jaren leegstand, transformeren tot appartementen voor starters. Onder andere het ontwerp van de gevels zou daarbij worden gewijzigd. Tegen de zin van een voormalig rijksbouwmeester, die in een brief zijn lof uitsprak over het ontwerp van de bekende architect:

“[de architect] slaagde (…) er op voortreffelijke wijze in om door middel van genereuze stedenbouwkundige en architectonische principes (t.w. routing, schaal, proportie, kleur, lichtinval etc.) met zijn nieuw ontworpen bouwdelen een knap geheel te midden van de bestaande context te smeden en zodoende een memorabel en klassiek ensemble te componeren.”

Om over de voorgenomen transformatie onder andere het volgende te zeggen:
“Allereerst dreigt de prachtige sequentie van openbare plekken en hoven met één brutale beweging t.b.v. een aanlokkelijke privatisering onderuit gehaald te worden (…) Vervolgens worden bij het doorvoeren van de functionele wijzigingen extra architectonische ingrepen voorgesteld die het geheel ondubbelzinnig zullen aantasten – zelfs verminken. (…) [De architect] ’s fijnzinnige en rijke detailleringen worden zonder enige noodzaak bruut gesloopt en voetstoots geacht vervangen te kunnen worden door hedendaagse no-nonsense standaardoplossingen.”
Het wekt dan ook geen verbazing, dat de betreffende architect zelf de transformatie zag als een inbreuk op zijn auteursrecht, meer in het bijzonder: zijn persoonlijkheidsrechten.

Persoonlijkheidsrechten

Wat die persoonlijkheidsrechten betreft: in de Auteurswet 1912 wordt daar onder meer onder verstaan: 1) het recht zich te verzetten tegen elke wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid en 2) het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid (reputatieschade).

De architect verzette zich onder verwijzing naar deze persoonlijkheidsrechten tegen de transformatie. In verschillende instanties is over de zaak geprocedeerd en zojuist (op 29 maart) heeft de Hoge Raad zich er over uitgelaten. De Hoge Raad is diep in de wetsgeschiedenis gedoken om vast te stellen wat de verhouding is tussen 1) en 2) en wélke omstandigheden nu precies relevant zijn. Uit de uitspraak kan het volgende worden afgeleid.

Reputatieschade bij aantasting

Vast stond dat de transformatie van de (zuid)gevel een aantasting was van het ontwerp van de architect. Een belangrijke vraag was of die enkele aantasting al betekende dat sprake was van reputatieschade, zodat de architect zich daartegen mocht verzetten. De architect vond van wel, de Hoge Raad vindt van niet. Het enkele feit dat sprake is van een aantasting, betekent nog niet dat sprake is van reputatieschade bij de maker: dat wordt separaat getoetst.

Bij de vraag of sprake is van reputatieschade, gaat het erom hoe het relevante publiek hierover denkt. Bij de beoordeling van het effect dat een aantasting van een werk in de ogen van het relevante publiek heeft op de reputatie van de maker kunnen alle omstandigheden die daarop licht kunnen werpen in aanmerking worden genomen.

Daarbij valt te denken aan omstandigheden als de aard en ernst van de aantasting, de mate van bekendheid van het werk en van de maker bij het relevante publiek, de reden voor de wijziging waarin de aantasting is gelegen, de waarneembaarheid daarvan voor het relevante publiek en de tijd die is verstreken tussen de voltooiing van het werk en de aantasting.

Is een aantasting én daarnaast reputatieschade vastgesteld, dan kan de maker zich er op grond van het persoonlijkheidsrecht onder 2) tegen verzetten. Voor een nadere belangenafweging is dan geen plaats meer. In onderhavig geval oordeelde de Hoge Raad uiteindelijk evenwel dat geen sprake was van een aantasting die leidde tot reputatieschade.

Geen reputatieschade maar wel wijziging: verzet nog mogelijk?

In geval van wijzigingen in het werk die niet tot reputatieschade leiden, zal de maker moeten uitwijken naar een beroep op het persoonlijkheidsrecht als hiervoor onder 1) bedoeld, aldus de Hoge Raad. De maker kan zich tegen dergelijke wijzigingen verzetten, maar dat verzet mag niet in strijd zijn met de redelijkheid. Bij de vraag of daarvan sprake is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Als het gaat om bouwwerken, komt daarbij volgens de Hoge Raad bijzonder gewicht toe aan de reden voor de wijziging, die veelal gelegen zal zijn in een wijziging van de bestemming of gebruiksfunctie van het bouwwerk. U raadt het al: de maker trekt dan al snel aan het kortste eind. Zo ook in dit geval: het verzet van de architect werd uiteindelijk in strijd met de redelijkheid gevonden.

In dit richtinggevende arrest (voor de liefhebber de vindplaats: ECLI:NL:HR:2019:451) oordeelde de Hoge Raad uiteindelijk dus dat de architect zich niet kon verzetten tegen de wijzigingen in zijn ontwerp. Dat hoeft natuurlijk niet áltijd zo te gaan. Tip: ga je een ontwerp van een gebouw wijzigen, vergeet dan niet stil te staan bij de mogelijke rechten van de oorspronkelijke architect.


Marijn Nuijens, Plas/Bossinade Advocaten notarissen

Reageer op dit artikel