blog

Huisjes en consumenten of dragers en mensen

woningbouw Premium

Huisjes en consumenten of dragers en mensen

“Indien men in de woningbouw alleen de menselijke relaties wil herstellen maar niet de technische mogelijkheden van vandaag wil uitbuiten, blijft alleen een weg naar het verleden over, een weg die wij niet kunnen gaan.” Een citaat uit ‘De dragers en de mensen’ van prof.ir. N.J.Habraken uit 1972. Vierenveertig jaar geleden en nog altijd onverminderd actueel.

Op 22 december reageerden Gerben van Dijk en Cees-Jan Pen in een kritisch artikel (‘Vastgoedsector heeft gezond verstand nodig’) op recente rapporten van Centraal Planbureau en Economisch Instituut voor de Bouw. Deze – helaas noodzakelijke – kritische reactie valt zeer te prijzen. Ik roep in dit verband het interview van januari 2015 in Bouwformatievan prof. J. Rotmans in herinnering.

Recente ontwikkelingen illustreren dat een substantieel deel van de bouwsector nog altijd hecht aan de bestaande gekende praktijk en de focus legt op procesinnovatie, niet op productinnovatie. Dit impliceert geenszins dat productinnovatie in de woningbouw niet bestaat, wel dat dit vrijwel geen fundamentele consequenties heeft voor het opgeleverde product als geheel. Er wordt nog altijd toegewerkt naar een traditioneel ‘huis’, terwijl we nu als sector bereid moeten zijn ook inhoudelijk anders te denken over hoe ons wonen er in de toekomst uit kan/moet zien; proces en product moeten onderdeel van de discussie zijn. Wij bouwen per slot van rekening niet ter wille van de werkgelegenheid en het bouwen zelf.

Enkele actuele ontwikkelingen vormen een goede illustratie voor bovenstaande: ik noem hier slechts de vergrijzing en de daaraan gepaard gaande noodzaak tot langer zelfstandig wonen, (tijdelijke) huisvesting van vluchtelingen, toename van het aantal kleine huishoudens. Wanneer wij in dit verband kijken naar hoe ons woningbestand is/wordt gevormd, dan kunnen we de volgende opmerkingen maken:

Invuloefening

We kunnen dus concluderen dat de woningen die wij ontwerpen en bouwen, vrijwel per definitie het verkeerde antwoord zijn op een onbekende vraag. De huidige bouwkolom ‘bepaalt’ een aanbod en zoekt daar de bewoner bij. Het ‘wonen’, als essentieel menselijke eigenschap, is aldus gereduceerd tot een invuloefening; we bouwen huisjes, we faciliteren geen passend onderdak in tijd en plaats. Dit is als constatering niets nieuws, ik verwijs slechts naar bijvoorbeeld Weebers ‘Wilde Wonen’ uit de jaren negentig en de onderzoeken van Leupen, Habraken etc.; alle met ongeveer eenzelfde pleidooi voor meer vrijheid in het bepalen, structureren, vormgeven en aanpassen van de eigen woonomgeving.

Bedrijfsruimte

Het EIB stelt intussen dat er sprake is van “een uitbreidingsbehoefte van 750.000 tot 1,4 miljoen woningen over een periode van dertig jaar” en “ook is niet alle leegstand geschikt om te transformeren tot woonruimte.” Momenteel staat zo’n 12 miljoen vierkante meter bedrijfsruimte (15 procent van het totaal) leeg, waarvan een substantieel gedeelte structureel. Deze situatie vereist vooral her-denken en innovatie; wie bepaalt op welke gronden of leegstand ongeschikt is voor transformatie?

Parallel aan deze situatie speelt een andere actuele ontwikkeling: wij werken en wonen al geruime tijd in een netwerksamenleving. Deze snel ontwikkelende brede digitalisering beperkt zich binnen de (woning)bouw echter grotendeels tot het (BIM-)proces van ontwerpen, bouwen, beheren, onderhoud. Tezelfdertijd neemt het aantal objecten dat is verbonden met het internet – het internet der dingen (en mensen) – in hoog tempo toe; de verwachting is dat dit in 2020 250 objecten per seconde zullen zijn. Voor de bouw/architectuur betekent dit dat onze (gebouwde) omgeving verandert in een interface; een omgeving die (deels) door de gebruiker/bewoner kan worden beïnvloedt, aangestuurd, aangepast. Deze ontwikkeling gaat dus veel verder dan de bekende domotica die zich vooral richt op comfort, energie-besparing etc. Daar is op zich niets mis mee; het kan echter niet zo zijn dat de ons omringende ‘technologie’ en connectiviteit zich in hoog tempo ontwikkelen en dat de (woning)bouw hiervan geen integraal onderdeel zou zijn. In de woorden van prof. Kas Oosterhuis: “We moeten alle objecten, inclusief het ‘ik’ en individuele bouwcomponenten, zien als actoren, als actieve spelers in een parametrische wereld.”. (vert. MP)

Architectuur kan worden gedefinieerd als de aanpassing van ruimte aan menselijke behoeften. Dat betekent dat wij inzicht moeten kunnen hebben in deze behoeften. Dit impliceert dat wij ons terdege moeten afvragen of het bouwen nu een adequaat antwoord kan zijn op vragen over honderd jaar. Wonen is een wonen in de actualiteit;. Als die actualiteit ons voor essentiële vragen stelt – bijvoorbeeld privacy – is het tevens de bouwkolom die haar deel van het antwoord moet ontwerpen en faciliteren. In de woorden van het STT-rapport ‘Beter bouwen en bewonen’ van 2004 (!): we moeten als het ware op zoek naar een antropologie van het bewonen in de netwerksamenleving”.

Privacy

Ons huis biedt een private ruimte als – voorlopig enige – voorwaarde voor afzondering en privacy. Het bouwen van woningen is echter meer dan een ‘huisje neerzetten’. Het is een zoektocht naar een antwoord op de vraag hoe ons wonen zich verhoudt tot de actualiteit en de invloeden/factoren die er deel van uitmaken. Dat kan slechts een faciliterende rol zijn. Met andere woorden: de ruimte(n) die wij ter beschikking hebben/stellen, hetzij leegstaande kantoren dan wel woningen, zou geschikt moeten zijn voor meerdere functies: de technologie maakt het al veel langer mogelijk deze in te vullen, aan te passen. Wonen kan op vele plaatsen, op vele wijzen. Gebruik bestaande bouw, innoveer; bouw een drager, geen huisje.

Martin Pot is zelfstandig interieurarchitect, onderzoeker, schrijver. Hij is onder andere verbonden aan Council, de internationale denktank voor IoT (Internet of Things).

Reageer op dit artikel