artikel

Ongebalanceerde analyse corporaties

woningbouw

Ongebalanceerde analyse corporaties

Het rapport over de corporatiesector dat twee weken geleden verscheen, is intelligent en op vele punten degelijk onderbouwd, vindt Hugo Priemus. Maar voordat de enquêtecommissie alle bevindingen voor zoete koek slikt, plaatst hij enkele kritische kanttekeningen.

Het rapport ‘De Balans Verstoord’ is in opdracht van Aedes geschreven door Rudy de Jong ten behoeve van de parlementaire enquêtecommissie woningcorporaties. Hij werd begeleid door Jan-Kees Helderman, Kees Koedijk en Jan van der Schaar.

De Jong c.s. wijzen er terecht op dat er sinds 2000 tien ministers verantwoordelijk zijn geweest voor het woondomein, afwisselend van PvdA-, CDA- en VVD-huize. En dan zwijgen we nog over de ministers van Financiën die verantwoordelijk waren voor onder meer de uitvoering van huurtoeslagen. Kennelijk was het de bedoeling van De Jong c.s. om de hand vooral in eigen boezem (= die van de corporatiesector) te steken: dat is lovenswaardig. Maar daardoor blijft het zwalkende, ineffectieve beleid van achtereenvolgende kabinetten toch wel zeer prominent buiten beeld. Aangekondigde maatregelen als de inkomensafhankelijke huurverhogingen, het kooprecht van huurders en de verhuurderheffing hebben een verwoestend effect op het investerings- en beheergedrag van corporaties. Politiek Den Haag is mede schuldig aan een aantal negatieve ontwikkelingen in corporatieland. De Jong c.s. kijken jammer genoeg de andere kant op.

Onderbelicht is het Staatssteundossier van de Europese Commissie (wel genoemd, maar niet uitgewerkt) en het daaruit voortvloeiende onderscheid in DAEB- en niet-DAEB-taken. De Jong c.s. gaan voorbij aan het wonderlijke gegeven dat na de invoering van de verhuurderheffing de Nederlandse staat, evenals Zweden, per saldo aan de woningcorporaties verdient. Sinds kort is er geen staatssteun, maar specifieke staatsbelasting.

Voorts besteden De Jong c.s. helemaal geen aandacht aan verbindingen van woningcorporaties met andere organisaties en de vele dochterinstellingen. Juist in deze sfeer zien we een gebrek aan transparantie, dubbelrollen van corporatiedirecteuren, het afwentelen van marktrisico’s naar de sociale sector en het steunen van marktactiviteiten door het verstrekken van goedkoop kapitaal.

Ook de pluriforme relaties van de woningcorporatie met de gemeente komen onvoldoende uit de verf. De studie van Severijn (2009) over de inhoud van prestatieafspraken tussen gemeente en corporatie ontbreekt in de literatuurlijst. Om te beoordelen of een corporatie al dan niet goed heeft gefunctioneerd is het van belang te weten of de desbetreffende gemeente een ondubbelzinnig publiek kader heeft geformuleerd in de vorm van een Woonvisie en of de corporatie in de ogen van de gemeente een goede bijdrage heeft geleverd aan de verwezenlijking van deze visie. Dit komt gewoonlijk wel in visitaties van corporaties aan de orde, maar De Jong c.s. laten dit onderwerp grotendeels liggen.

Er zijn nu bijna 400 woningcorporaties in Nederland. Bij twintig woningcorporaties ging het mis: te riskante investeringen, riskante derivaten, fraude en/of zelfverrijking. Bijna 380 corporaties deden het (overwegend) goed: zij ontvingen een positief gestemd visitatierapport, scoren een hoge waardering bij gemeente en stakeholders, een hoge tot zeer hoge huurderswaardering en droegen ertoe bij dat in 2010 en 2011 de corporaties een gedeeltelijke compensatie boden voor de compleet inzakkende woningbouwmarkt. Aandacht voor variëteit in het gedrag van woningcorporaties en corporatiedirecteuren is belangrijk.

Het sinds 2000 toegenomen aantal incidenten bij woningcorporaties (Bieleman c.s., 2010) wijst inderdaad op zwakheden in het huidige corporatiestelsel. Er is sprake van goldplating, inclusief 110 directeuren met een salaris boven de Balkenendenorm, corporaties die steeds meer de randen van het werkdomein opzochten en de kerntaken soms verwaarloosden, overigens mede op verzoek van gemeenten.

De analyse had onderscheid moeten maken tussen corporaties c.q. corporatiedirecteuren die ‘goed’ zaten en zij die ‘fout’ zaten. De interne structuur en de interne verhoudingen komen onvoldoende uit de verf, inclusief de vragen over het interne rendement van corporaties, zonnekoninggedrag van sommige directeuren en het verbreden van het corporatiedomein.

Het rapport hanteert aparte hoofdstukken over de relaties met overheid, markt en samenleving. Dat levert een verknipt beeld op. Het Europese mededingingsbeleid en het Staatssteundossier zou de lezer bij het ‘beleid’ verwachten, maar is opgenomen bij de ‘markt’. Een chronologisch overzicht verdient de voorkeur, waarin de veranderingen in het rijksbeleid en de verschuivende verhoudingen in het aandeel overheid – markt – samenleving binnen de corporaties duidelijk worden gemaakt.

De grootste tekortkoming van de studie is dat het steeds weer veranderende en inconsistente beleid van het Rijk nagenoeg geheel buiten beschouwing is gebleven. Daarvoor is kennelijk bewust gekozen, waardoor de studie uitmondt in een onderdanig ‘mea culpa’. Het kan een effectieve tactiek zijn om de enquêtecommissie veel wind uit de zeilen te nemen. Maar de analyse leidt zo tot generalisaties die voor het merendeel van de corporaties niet van toepassing zijn en die het overheidsbeleid ten onrechte buiten beschouwing laten. Op deze punten zal de parlementaire enquêtecommissie, naar we hopen, tot een meer gebalanceerd oordeel komen. In de analyse van De Jong c.s. is de balans helaas te zeer verstoord.

Hugo Priemus, Onderzoeksinstituut OTB, Technische Universiteit Delft

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels