artikel

Landelijk kompas voor woningproductie nodig

woningbouw Premium

Landelijk kompas voor woningproductie nodig

Voorspellingen doen over de economie en de woningproductie is niet eenvoudig. Toch wordt op basis van prognoses beleid gemaakt. Nico Rietdijk constateert grote verschillen in de prognoses van de wetenschappers en de uiteindelijke realiteit. Hij pleit daarom voor een brug tussen praktijk en wetenschap.

Jaren geleden waren mijn Belgische collega’s erg boos. Het was begin jaren tachtig en de Belgische bouw verkeerde in één van de zwaarste bouwcrises ooit. Maar het Belgische onderzoeksbureau, dat vooraf had moeten waarschuwen, had dat niet gedaan. Sterker, het bureau was tot het laatste toe optimistisch gebleven. De verantwoordelijke in kwestie gaf later als verklaring dat er niks mis was met z’n prognoses, maar dat de markt simpelweg niet meewerkte. Hilariteit en commotie viel de arme man ten deel, evenals een reorganisatie van zijn bureau.

Opnieuw is het crisis, niet alleen in België en niet alleen in de bouw. Zeker Nederland gaat zwaar gebukt. Meer dan ooit komt het dus aan op goede prognoses, waar overheid, bedrijfsleven en burgers hun kompas op kunnen afstemmen.

Weerbarstige complexiteit

Gelukkig kent Nederland anno 2013 zeer gerespecteerde bureaus, denk bijvoorbeeld aan het Centraal Planbureau (CPB) en – dichter bij huis – het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Dat moet dus goed gaan, zou je denken. Niettemin worstelen ook deze bureaus met de weerbarstige complexiteit van een moderne economie.

Niet zelden zitten ook deze bureaus er daardoor gewoon flink naast. Sterker: sinds het begin van de economische crisis kloppen hun prognoses vaker niet dan wel. Zo blijkt bijvoorbeeld van de laatste 23 voorspellingen van het CPB er niet één correct. Stelselmatig waren de voorstellingen te positief. En hetzelfde zien we terug bij de prognoses van het EIB. Deze organisatie voorspelde begin 2012 nog dat de bouwsector in 2013 een herstel zou laten zien. De verwachting was toen dat in 2013 zo’n 76.000 bouwvergunningen voor huur- en koopwoningen zouden worden afgegeven, wat een prachtige score zou zijn. Precies een jaar later (voorjaar 2013) was het EIB weliswaar iets voorzichtiger, maar desondanks hielden de rekenmeesters rekening met de afgifte van 53.500 bouwvergunningen voor 2013. Hoe pijnlijk echter kun je er naast zitten, want in werkelijkheid is de vergunningafgifte over de laatste twaalf maanden verschrompeld tot 30.696, terwijl er signalen zijn dat het nog verder afneemt. Als we bedenken, dat niet iedere vergunning tot bouwproductie leidt, dan mag duidelijk zijn dat de werkgelegenheid in de bouw nog lang niet z’n dieptepunt bereikt heeft.

Hoe komt het toch dat dit soort gerespecteerde bureaus zoals het CPB en het EIB er zo geweldig naast zitten? Zitten daar de mensen maar wat aan te klunzen? Nee, beslist niet. De verklaring ligt heel simpel in het feit dat zij veelal werken met geavanceerde econometrische modellen, die zijn gebaseerd op het jarenlange gedrag van burgers, bedrijven en lokale overheden. Daar schuilt zowel de kracht als de zwakte. In rustige normale tijden werken die modellen prima, maar o wee als er grote turbulentie is in een economie, zoals nu dus, dan klopt er weinig meer van. In feite kijken deze bureaus continu door de achteruitkijkspiegel naar de toekomst.

Nu kun je zeggen: ‘so what’, maar vergeet niet dat veel bouwbedrijven, hun toeleveranciers en de bedrijven in de bouwindustrie hun bedrijfskompas hierop baseren, net zo goed als de rijksoverheid z’n beleid erop afstemt. Toen minister en Dijsselbloem in z’n voorjaarsnota 2013 schreef dat hij “onverwachte belastingtegenvallers” te verwerken kreeg onder andere omdat “de woningproductie zo tegenviel”, illustreert dat het belang van goede prognoses.

Gezamenlijke marktkennis

Het toeval wil dat partijen aan de voorkant van het bouwproces, zoals ontwikkelaars, corporaties en architecten wel al vaak in een vroegtijdig stadium weten hoe de werkgelegenheid zich op de steiger en in de bouwindustrie zal gaan ontwikkelen. Niet omdat zij kennis hebben van modellenbouw, maar omdat zij de markt kennen en – heel simpel – weten wat zij in eigen portefeuille hebben. Tot op heden is die gezamenlijke marktkennis nauwelijks serieus genomen, in elk geval minder dan de modellenkennis van de wetenschappers. Toch vreemd eigenlijk, want waarom zou de abstracte waarde van modellen betrouwbaarder zijn dan de keiharde optelsom van de opdrachten bij de opdrachtgevers? Mijn voorstel is daarom even simpel als helder: zorg dat er een brug wordt geslagen tussen praktijk en wetenschap. Het zal de kwaliteit van het kompas ten goede komen. Gaat dat ook gebeuren? Ik durf het niet te voorspellen.

Nico Rietdijk, Directeur NVB, Vereniging voor ontwikkelaars & bouwondernemers

Reageer op dit artikel