nieuws

Buitenlandse bouwers boeren goed bij Rijkswaterstaat: Belgen zegevieren

infra 9386

Buitenlandse bouwers boeren goed bij Rijkswaterstaat: Belgen zegevieren

Het marktaandeel van buitenlandse bouwers bij Rijkswaterstaat is in één jaar tijd verdubbeld. Twee van de drie miljard euro aan opdrachten ging naar buitenlandse spelers. Het Belgische Deme voert de ranglijst aan, gevolgd door nog drie spelers uit het buitenland, blijkt uit het jaarlijks gunningenonderzoek van Cobouw.

Boycotten Nederlandse bouwers Rijkswaterstaat? Of is het precies andersom? Boycot Rijkswaterstaat Nederlandse infra-aannemers? Of zijn buitenlandse bouwbedrijven gewoonweg een stuk gewiekster?

De tijd dat VolkerWessels goed boerde bij ’s lands grootste gww-opdrachtgever is in elk geval voorbij, blijkt uit het jaarlijkse gunningenonderzoek van Cobouw. De voormalige hofleverancier van het Rijk harkte in 2017 slechts een schamele 60 miljoen euro binnen.

Dat is ronduit opmerkelijk, want vorig jaar was een recordjaar voor wat betreft infra-opdrachten. Rijkswaterstaat verdeelde ruim 3 miljard euro voor nieuwe tunnels, sluizen, viaducten en wegen. Maar liefst acht keer meer dan in 2014. En toch greep VolkerWessels naast de ‘prijzen’.

Het zegt alles over de huidige Nederlandse inframarkt. Sinds de crisis voorbij is, zijn de kaarten anders geschud. Niet de traditionele big five – BAM, Heijmans, Boskalis, Ballast Nedam en VolkerWessels – profiteert van de opstuwende opdrachtenstroom, maar zeven uitheemse bouwers uit Australië, Amerika, België, Duitsland en Frankrijk gaan er met de buit vandoor.

‘Liever naar Nederlandse bedrijven’

In 2017 ‘verdween’ 2.013.263.608 euro over de grens. Ruim twee miljard euro. Bijna twee derde van het totaal. “We zien liever dat het werk aan Nederlandse bedrijven wordt gegund”, reageert Maxime Verhagen, voorzitter van Bouwend Nederland. “Zeker nu we met zijn allen net uit de crisis komen, en het vooral aan de infrazijde nog geen hosanna is.”

Het buitenlandse succes op de Nederlandse markt komt niet uit de lucht vallen. In 2016 ging een derde van de koek al naar spelers als Max Bögl en Züblin. Die trend zette in 2017 onverminderd door. De ‘invasie’ verdubbelde. Bij de vier grootste projecten zijn buitenlandse spelers betrokken. Sterker nog, de vier best presterende spelers bij Rijkswaterstaat komen van over de landgrenzen.

BAM beste Nederlandse bouwer

Nee, wie van lijstjes houdt, ontdekt dit jaar geen VolkerWessels, Boskalis, of Heijmans met topnoteringen. De meest succesvolle bouwer bij Rijkswaterstaat komt dit jaar uit België. Deme is de naam. Goed in baggeren. Goed in waterwerken. Goed voor ruim een half miljard in 2017 uit Holland.

De sluis bij Terneuzen. De Blankenburgtunnel. De Rijnlandroute. Deme speelt bij drie van de vier ‘klappers’ van 2017 een hoofdrol. Altijd in combinatie met Nederlandse partijen, dat wel. De ene keer met Ballast Nedam, de andere keer met BAM of TBI.

Het internationale ‘succes’ reikt echter verder dan Deme. BAM heeft van de oer-Hollandse bouwbedrijven de hoogste notering, maar moet genoegen nemen met een magere vijfde plaats. Net als TBI (plek 6), Boskalis (10) Dura Vermeer (19) en Strukton (28) moet de Bunnikse aannemer respectievelijk Hochtief, Fluor en Macquarie voor zich dulden. Na Deme bezetten de Duitse, Amerikaanse en de Australische spelers de nummers 2 tot en met 4. Alle drie haalden ze dik honderd miljoen euro aan opdrachten meer op dan BAM.

De ‘pechvogel van 2017’ (instorting parkeergarage Eindhoven en ontwerpzeeperd bij de sluis van IJmuiden), BAM dankt die vijfde plaats vooral aan het binnenhalen van de sluis van Terneuzen. In 2015 voerde BAM de lijst nog aan, maar in 2016 zakte de bouwer af naar de 24e plek. Met de Afsluitdijk in portefeuille ziet ook 2018 er wel weer goed uit voor het bedrijf van Rob van Wingerden.

Buitenlandse partijen ronselen

Deme is niet de eerste buitenlandse bouwer die zich hofleverancier van Rijkswaterstaat mag noemen. In 2016 viel die eer ten deel aan Max Bögl en Züblin. Opvallend genoeg kwamen zij in 2017 niet aan de bak bij Rijkswaterstaat.

Meer concurrentie dus. Maar is dat erg? Is het erg dat buitenlandse partijen steeds steviger zetten op de Nederlandse infrabodem? Of zijn de consequenties niet eens zo heel groot, omdat een groot deel van het werk vermoedelijk toch wordt uitgevoerd door Nederlandse onderaannemers?

Foto: Ton Borsboom

Verhagen van Bouwend Nederland uitte zich in 2015 nog uitermate kritisch over het gedrag van Rijkswaterstaat. Hij vond het niet sjiek dat Rijkswaterstaat bouwbedrijven ‘ronselde’ in het buitenland in tijden van crisis. Twee jaar later is hij minder uitgesproken. “We zijn één Europa en ook buitenlandse partijen mogen hier bouw- en infrawerkzaamheden uitvoeren. Andersom zijn Nederlandse bedrijven ook elders actief.”

Terrein terugwinnen

De voorman van MKB Infra, Philip van Nieuwenhuizen, haalt zijn schouders op als hij hoort dat vooral buitenlandse partijen hoge ogen gooien op de Nederlandse inframarkt. “Uiteindelijk hebben ook bedrijven zoals Züblin de lokale, middelgrote infrabouwers toch nodig. Ik heb niet het gevoel dat zij anders met onderaannemers omgaan dan Nederlandse bedrijven.”

De vette jaren van Rijkswaterstaat houden zeker drie jaar aan. Of Nederlandse bouwers terrein terugwinnen, moet blijken. Afgaande op de eerste grote gunningen van 2018 – de Afsluitdijk en de landtunnel A16) – lijkt het die kant op te gaan. Aan de andere kant melden zich echter nieuwe buitenlandse spelers aan het front, zoals het Spaanse Sacyr.

 

Reageer op dit artikel