nieuws

Afgedankte plezierbootjes gaan nog decennia mee als oeverbeschoeiing

infra Premium 2289

Afgedankte plezierbootjes gaan nog decennia mee als oeverbeschoeiing

Afgedankte plezierboten vershredderen en verwerken tot damwandplanken om oevers te beschoeien. Een consortium partijen rondom hogeschool Windesheim denkt daarmee een oplossing te hebben voor de groeiende afvalberg van kunststofcomposiet. De eerste planken zitten in de bodem.

 

Bij de Beatrix-sluis in Almere is inmiddels twintig strekkende meter damwand in de grond getrild. De planken zijn vier meter lang en 25 centimeter breed. Hoe ze zich houden in en boven het water wordt komende jaren nauwlettend in de gaten gehouden.

Het verwerken was voor aannemer Reimert niet anders dan normaal, meldt  dr. ir. Albert ten Busschen van de Hogeschool Windesheim. De machinist merkte volgens hem het verschil niet eens. Ook visueel zijn ze volgens de associate lector niet van houten exemplaren te onderscheiden omdat de panelen voorzien zijn van een bruine coating compleet met houtprint. Groot verschil is dat de kunststof damwanden volgens ten Busschen zomaar vijftig jaar meegaan. “En ze dragen ook nog eens bij aan het oplossen van een afvalprobleem.”

De experimentele panelen zijn in twee varianten gemaakt. Bij één serie zijn de rompen van de oude boten verzaagd tot stroken die vervolgens met nieuwe glasvezelmatten in een mal zijn gelegd en daarna met vacuüminjectie vermengd met hars. Met die planken werden sterktes tot 200 mPa bereikt. Dat is een flink hogere waarde dan damwanden van hardhout.

Door de shredder

Daarnaast is  een aantal damwandplanken gemaakt door de rompen simpelweg door de shredder te halen en de vlokken die overbleven op een vergelijkbare manier aan de mallen toe te voegen. Dat is volgens ten Busschen een veel eenvoudiger manier van verwerken dan het zagen tot stroken. De sterkte van het eindproduct lag wel lager en bleef steken op 100 mPa. Ongeveer de helft van die van de strokenplanken.

Ten Busschen noemt het project zijn levenswerk. Hij loopt al zeker dertig jaar mee in de wereld van de composieten, onder andere als technisch directeur van PolyProducts uit Werkendam. Bij de internationale zoektocht naar manieren om composieten te recyclen ziet hij onderzoeksinstellingen en bedrijven vaak proberen om de oorspronkelijke vezels en harsen terug te winnen. Daarvoor worden de objecten ondergedompeld in baden met agressieve oplossingen of wordt er met pyrolyse achtige technieken geprobeerd componenten gecontroleerd te verbranden. Die experimenten overtuigden hem tot nu toe niet. Ook het compleet vermalen zodat het als vulstof kan worden toegevoegd vindt hij geen elegante oplossing. “Aan vulstoffen is in de wereld geen gebrek.”

Beter dan storten of verbranden

Van upcycling is bij zijn methode ook geen sprake realiseert Ten Busschen zich. “Een boot is een hoogwaardiger toepassing van composietmateriaal dan een oeverbeschoeiing. Maar in de laatste hoedanigheid kan het materiaal wel decennia mee.  Dat is wel een zinvolle oplossing. Een stuk nuttiger dan storten of verbranden.”

De berg composietafval groeit namelijk gestaag. Per jaar komt er in Nederland zo’n 1400 ton aan oude boten op de markt. Die stroom groeit de komende 15 jaar naar 4000 ton. Ook de markt van oude windmolenbladen groeit snel. Momenteel bedraagt die 1300 ton op jaarbasis. Doordat de eerste generatie windmolens wordt vervangen door grotere exemplaren verdubbelt die stroom in de komende vijf jaar. “Daar moeten we toch een oplossing voor bedenken.”

Van de sloot in de wal

Behalve de hogeschool en aannemer Reimert Bouw, werkten CompoWorld en Waterschap Zuiderzeeland mee aan de opmerkelijke proef die oude boten ‘van de sloot in de wal helpt’.

Reageer op dit artikel