nieuws

Eerder samenwerken baat dijkaanpak

infra Premium

Eerder samenwerken baat dijkaanpak

Overheden hebben voldoende juridische middelen om toekomstige dijkversterking mogelijk te maken. Maar er moet wel meer worden samengewerkt tussen waterschappen, gemeenten en provincies. Dat blijkt uit een donderdag gepubliceerd landelijk onderzoek naar de ruimte voor toekomstige dijkversterkingen. Michiel Maas

Het Deltaprogramma, Ruimte voor de Rivier en het Hoogwaterbeschermingsprogramma hebben ervoor gezorgd dat de dijken weer volop in de belangstelling staan. Veel dijkversterkingen, ontgravingen en nieuwe waterwerken zijn al gerealiseerd, maar nog honderden kilometers dijk moeten worden aangepakt.

En daar blijft het niet bij, denkt dijkgraaf Hans Oosters van het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard en voorzitter van de Unie van Waterschappen. “De veiligheidsopgave blijft altijd doorgaan. Periodieke dijkversterkingen blijven nodig. Dat speelt zeker in de gebieden die ook nog te maken hebben met bodemdaling, zoals in Zuid-Holland.”

Maar dijkversterking is vaak een lastige procedure. Het waterschap heeft meestal zeggenschap over de dijk zelf, maar de gebieden die ernaast liggen behoren aan particulieren of bedrijven. En vaak is de weg die erbovenop ligt weer in beheer bij de gemeente. “Zeker in drukbevolkte gebieden stelt ons dat voor grote uitdagingen.”

Als het om hoogwaterbescherming gaat, hebben overheden veel mogelijkheden, bijvoorbeeld om te onteigenen. Dat gebeurde in het verleden vaker, maar tegenwoordig weten waterschappen dat onteigening vaak leidt tot conflicten, juridische procedures en vooral gebrek aan draagvlak bij betrokkenen. Een alternatief is om de dijkversterking zo aan te pakken dat huizen, bedrijven en natuur langs de dijk behouden kunnen blijven. Maar dat is duur.

“Grof gezegd kost de aanpak van een kilometer dijk zo’n 6 miljoen euro”, zegt Oosters. “Langs de Lekdijk heeft het ons 30 miljoen gekost, omdat alles moest worden behouden. Dat is eigenlijk wel een heel hoge prijs.”

Betaalbaar

Om er toch voor te zorgen dat de dijkversterking betaalbaar blijft én de overlast en onzekerheid voor omwonenden zo gering mogelijk blijft, adviseert het rapport “Ruimtelijk Instrumentarium Dijken” dat gemeenten, provincies en waterschappen al in een vroeg stadium een visie ontwikkelen over de toekomst van het dijkgebied. Zo kan worden voorkomen dat bestemmingsplannen worden gemaakt of bouwvergunningen worden afgegeven voor gebieden die een paar jaar later ineens nodig zijn voor een bredere dijk.

“Het nadenken over de toekomst van een dijkgebied liep eigenlijk altijd gescheiden. Pas als er echt iets moest gebeuren, werden er samen plannen gemaakt. Maar het blijkt nu dat we dat beter veel eerder kunnen doen. Op die manier krijgen de omwonenden en grondeigenaren ook sneller duidelijkheid over wat er met hun woning, bedrijfsruimte of grond kan gebeuren. Op die manier krijg je meer maatschappelijk draagvlak voor de maatregelen.”

Een goed voorbeeld vindt Oosten de aanpak van de Lekdijk tussen Kinderdijk en Schoonhovenseveer, waar verschillende technische vernieuwingen en betere samenwerking zijn gecombineerd. Het resultaat was dat er op het hele dijktraject geen enkele onteigening is geweest. “De volgende stap is een pilot op een versterkingsproject dat nog in de beginfase zit. Dan kunnen we de aanbevelingen uit dit rapport echt in de praktijk gaan brengen.”

Reageer op dit artikel