nieuws

Zeeland was veilig, ik werkloos

infra Premium

Zeeland was veilig, ik werkloos

De bouw van de Oosterscheldekering was niet alleen technisch grensverleggend. Ook de contractvorm en de samenwerking tussen Rijkswaterstaat en aannemerij waren uniek. Bouwer en oud Cobouw-redacteur Jan van Staveren over werken op de kentering van het tij, kibbelende techneuten en het belang dat iemand in de keet op tijd roept dat het klote gaat.

Civiel ingenieur Jan van Staverenschreef voor de bouwers van de Oosterscheldekering zulke doorwrochte rapporten, dat hij na oplevering zijn carrière voortzette bij Cobouw. Een persoonlijke terugblik ter gelegenheid van het jubileum van de kering.

Ruim zes jaar heb ik bij aannemerscombinatie Dosbouw meegebouwd aan de Oosterscheldekering. De datum van de officiële opening 4 oktober 1986, dinsdag precies 25 jaar geleden, kon ik me eerlijk gezegd niet meer herinneren. De 10de oktober van dat jaar staat echter in mijn geheugen gegrift. Het was de dag dat mijn dienstverband bij Dosbouw afliep. Zeeland was veilig, maar ik zat zonder werk.

Werken aan de Stormvloedkering Oosterschelde betekende werken in een uitzonderlijke omgeving. Toen ik gevraagd werd om in Zeeland te komen werken in het plaatsje Burghsluis moest ik dat eerst even opzoeken in de Bosatlas. Maar voor een civiel technicus leek het werk me een enorme uitdaging. Het dienstverband bij die combinatie van acht grote Nederlandse bouw- en baggerbedrijven was weliswaar van tijdelijke duur, maar tegen de tijd dat het werk klaar was zouden er naar mijn stellige overtuiging volop mogelijkheden zijn voor een vaste baan bij één van de combinanten.

Pension

Ruim een half jaar lang reed ik door de week van de keten in Burghsluis naar een pension in Burgh-Haamstede. Het weekeinde ging ik terug naar mijn huis in Santpoort. Daarna kocht ik een huis in Nieuwerkerk, een klein half uur rijden van Burghsluis. Het kwam vrij uit een faillissement. Het was een goed huis voor weinig geld.

Het werk in Burghsluis had een bijzondere kant: er was direct en intensief contact met de technici van Rijkswaterstaat. Dat was nodig omdat Dosbouw en Rijkswaterstaat eerst nog samen het ontwerp moesten maken. De politiek had immers na lang dralen besloten dat er toch geen dichte dam zou komen, die al was gegund, maar dat de dam doorlatend moest zijn. Maar wel afsluitbaar. Er werd een groot aantal werkgroepen in het leven geroepen waarin leden van zowel de aannemer en Rijkswaterstaat zitting hadden. Die moesten samen gaan verzinnen hoe je iets moest maken wat in waterbouwend Nederland tot dan niet was gepresteerd.

Wennen

De samenwerking in werkgroepen was voor beide partijen in het begin erg wennen. De aannemers moesten plotseling uitleggen waarom ze dingen deden zoals ze het altijd al deden en Rijkswaterstaat moest externe inbreng en kritiek op haar werk leren accepteren. Dat leidde natuurlijk geregeld tot patstellingen in de werkgroepen. Maar ik kijk nog altijd met genoegen terug op een aantal malen waarbij het in die werkgroepen lukte twee tegenover elkaar staande partijen tot overeenstemming te brengen. Discussierende technici zijn nou eenmaal niet het makkelijkste volk.

Vooral de bijeenkomsten van de werkgroep Tegelmat, staan me nog bij. Ik was voorzitter van deze groep die werkte aan de ontwikkeling van een correctiemiddel voor de funderingsmatten om scheefstand van een pijler na plaatsing te voorkomen. Het werd een mat in twee stroken met betonnen blokken gemonteerd op kabels. De blokken konden verschillende hoogten krijgen om ervoor te zorgen dat de pijlervoeten horizontaal zouden staan na plaatsing van de pijler op de funderingsmatten. Helaas zijn ze niet nodig gebleken. Het was een onvoorziene meevaller dat alle pijlers op enkele centimeters nauwkeurig – ruim binnen de marge – konden worden geplaatst zonder dat de ontwikkelde correctiemat toegepast hoefde te worden. Ondanks dat toch een prachtig onderwerp om samen aan te hebben gewerkt. Plaatsen Pijlers werd het volgende onderdeel waar ik aan werkte. Na afronden van het laatste ontwerpwerk kwam dit onderdeel in uitvoering. Ik moest onder andere kijken of de ontworpen werkmethoden in de praktijk voldeden. Dat vergde gedegen analyse van de meetgegevens van het hefschip. Bepalend bij een tegenslag was bij het complexe werken op tij altijd of er een stroomkentering voor een plaatsing verloren zou gaan. Dat is volgens mij niet vaak gebeurd. Maar altijd moesten er nieuwe dagplanningen komen die op tijd aan boord moesten zijn. Die maakte je met de hand en soms racete je met de inkt nog nat naar de brievenbus op de steiger voor het vletje om de werkinstructie aan boord van het hefschip te brengen. Ontwerpen is een uitdaging, maar uitvoeren is dat ook.

Als ik terugdenk aan de tijd bij de Stormvloedkering zijn het de technische zaken die als eerste boven komen. Maar na een tijdje vermengen die zich met de meer persoonlijke herinneringen. Was het met de mensen van Rijkswaterstaat niet altijd koek en ei, met de collega’s ging het ook niet altijd even soepel. Er was wel een gezonde concurrentie tussen de mensen van de verschillende aannemers. Toch leek het soms wel of ze allemaal ook verschillende agenda’s hadden. Dan wachtten aanbevelingen en keuzes vaak lang op consensus in de werkgroep.

Spijt

Doorbreken van zo’n impasse lukte soms alleen door stevige woorden te gebruiken. Woorden die mensen raken en aanzetten de ingenomen standpunten in te ruilen voor gezamenlijke actie. Woorden die ik als voorzitter van de Tegelmatclub misschien soms ook wel niet had moeten gebruiken en waar ik na afloop spijt van had. Dan was het prettig als een collega naderhand zijn hoofd om de hoek van de deur stak en zei: “Je moet op een project altijd iemand hebben die op tijd zegt: het is klote”.

Maar wat me van alles misschien nog wel het meeste is bijgebleven is het grote aantal brieven dat ik heb gekregen om mijn tijdelijke contract te verlengen. Zes keer kreeg ik een aanstellingsbrief voor een volgend werkonderdeel. Het begon bij ontwerpen van de Tegelmat bij werkvoorbereiding. Daarna kwam het werk in uitvoering en kon ik bij Plaatsen Pijlers aan de slag. Toen dat was afgelopen kreeg ik van de uitvoerders een doorwerkjas mee als afscheidscadeau. Vervolgens werkte ik nog bij Plaatsen Dorpelbalken, Plaatsen Verkeerskokers, Plaatsen Schuiven en Stenen Leggen. Daarna was de magie van de doorwerkjas uitgewerkt. De zevende brief was voor einde werk. Het was niet gelukt een baan bij een van de deelnemende aannemersbedrijven te krijgen. Op 10 oktober 1986 zat ik zonder werk.

Tegenvaller

Het huis in Nieuwerkerk kon ik alleen verkopen voor de prijs die ik er zelf zes jaar eerder voor had betaald. Belangstellenden, allemaal Zeeuwen, wisten precies wat ik destijds betaald had en boden geen cent meer. ‘Us ben zunig’ wist ik natuurlijk wel na jaren wonen tussen de Zeeuwen. Maar dit was toch even een tegenvaller. Met hoge vaste lasten en in Zeeland geen zicht op werk, deed ik het huis van de hand en ging elders in het land huren met een uitkering.

Voor het vinden van een nieuwe baan was het een slechte tijd. Aannemers kregen veel mensen terug van de Deltawerken en grootschalige nieuwe projecten lieten op zich wachten en bovendien moest Rijkswaterstaat inkrimpen. Gelukkig had ik bij de Oosterscheldekering veel – volgens anderen – goed leesbare rapporten en draaiboeken geschreven. Mede daardoor vond ik na ruim anderhalf jaar een baan op de redactie van Cobouw. Inmiddels ben ik daar ook al weer vier jaar weg. De tijd vliegt. En die kering is dus blijkbaar al weer vijfentwintig jaar oud. Onvoorstelbaar. Gelukkig hebben we hem ontworpen op een levensduur van 200 jaar. De Zeeuwen zijn nog zeker 175 jaar veilig. n

Reageer op dit artikel