nieuws

Munten, schepen, mensenresten: ‘bouwer is bang voor archeoloog en dat is niet nodig’

bouwbreed 2459

Munten, schepen, mensenresten: ‘bouwer is bang voor archeoloog en dat is niet nodig’
Vondsten bij de Noord-Zuidlijn Foto: Ge Dubbelman/Hollandse Hoogte.

Vóór de bouw van de Markthal ontdekten archeologen van de gemeente Rotterdam zes boerderijen uit de tiende eeuw in de grond. En onlangs stuitten baggeraars in Doesburg op het bekken van een 40 duizend jaar oude mammoet. Als bouwer zit je niet te wachten op zulke vondsten. Wat kunnen je doen om oponthoud in het ­bouwproces te voorkomen?

Verbaasd waren ze niet, Maaike Sier en haar team van de archeologische dienst van de gemeente Rotterdam, toen ze in 2016 naast de Laurenskerk 23 skeletten uit de zestiende en zeventiende eeuw uit de bodem haalden.

“We wisten dat daar menselijke resten lagen. Maar we doen alleen wat nodig is voor bouwwerkzaamheden. De rest laten we zitten.”

Daar, bij de Laurenskerk, was het nodig de skeletten op te graven. Vanwege de herinrichting van de Binnenrotte moest de locatie op de schop.

Mammoetbekken

Nog een voorbeeld. Op 8 mei dit jaar stuitten baggeraars van Tebezo in Doesburg op twee bekkenhelften van een ­minimaal 40.000 jaar oude mammoet. Volgens de archeologische dienst was de vondst niet zo vreemd. Het IJsseldal is een van de grootste mammoetkerk­hoven ter ­wereld. Behalve mammoeten liggen er ook neushoorns en steppe­wisenten ­begraven.

Hoe bijzonder ook, dit wil je als bouwbedrijf niet meemaken. Maar hoe kun je dit soort verrassingen voorkomen?

In het bestek

Als door bouwwerkzaamheden waardevol bodem­materiaal verloren dreigt te gaan, moet dit ge­documenteerd worden. ­Maaike Sier van de archeologische dienst van Rotterdam legt uit wat de gang van zaken is.

“Om toevalsvondsten tijdens de bouw te voorkomen zijn ­bouwers verplicht hun plannen te laten toetsen op het aspect archeologie. Dus ga praten en neem archeologie op in het gesprek. ­Probeer de risico’s in te schatten. Ga ook op tijd aan tafel zitten met de aannemer die het werk gaat uitvoeren. En geef ­wijzigingen door.”

Het verhaal gaat onder de foto verder

Vondst bij de Eerste Kamer, een deel van een oude fundering: Foto: Hollandsche Hoogte /LAURENS VAN PUTTEN

Sier stipt aan dat bouwers vaak bang zijn dat archeologen de bouw stilleggen. “Onterecht. De afgelopen zestig jaar is dat in Rotterdam nog nooit gebeurd. Natuurlijk kost het uitvoeren van archeologisch onderzoek tijd, maar het meeste onderzoek vindt plaats voorafgaand aan de bouw. Als er tijdens de bouw archeologisch onderzoek nodig is, ligt de bouw niet stil. Er wordt gekeken naar mogelijkheden de bouwwerkzaamheden tegelijk met de archeologische werkzaamheden uit te voeren. Als archeologisch onderzoek wordt opgenomen in het ­bestek, kun je er rekening mee houden en leidt het niet tot vertraging.”

Scheepswrak

Toevalsvondsten vallen niet helemaal te voorkomen. Dat bleek nog maar eens bij de bouw van de kademuur voor de HES Hartel Tank ­Terminal op de Maasvlakte 1. Haven­bedrijf Rotterdam bouwt daar een kade van twaalfhonderd meter voor zeeschepen en een kade van duizend meter plus steiger voor de binnenvaart. Er waren al een bureaustudie en een verkennend onderzoek uitgevoerd en alles leek in orde.

Toch werd op de vrijdag voor Pinksteren in 2018 tijdens het heien een stuk hout aangetroffen. Het hout bleek een onderdeel te zijn van de voorsteven van een schip uit de achttiende eeuw.
En daar bleef het niet bij. Een halfjaar later werd tweehonderd meter verderop een deel van een ander schip aangetroffen, in nog betere staat dan de eerste vondst.

Het schip, ooit dertig ­meter lang, was gebouwd in het eerste kwart van de achttiende eeuw. Het wrak, twaalf bij drie meter, zat aan­vankelijk klem tussen de kademuur en de tijdelijke damwand, maar kon relatief een­voudig droog worden opgegraven en weggetakeld. De archeologen stonden te juichen. Zonder vertraging in de bouw kon de vondst worden gedocumenteerd.

Gave resten

Projectmanager Stefanie van der Wee van Havenbedrijf Rotterdam: “Er waren zo’n 150 bouwvakkers aan het werk op het moment van de vondst. Nadat de ­aannemer had gemeld dat er hout was gevonden, namen wij als opdrachtgever contact op met de archeologische dienst. Door de werkzaamheden slim te plannen hebben de deskundigen uit­gebreid ­onderzoek kunnen doen. Extra kosten? Natuurlijk hebben we die gemaakt, voor de huur van een kraan, en de inzet van materiaal en menskracht, maar veel stelde dat niet voor. We ­hadden ook geen noemenswaardige ver­traging. Het wrak gaan we exposeren in FutureLand, het havenmuseum op Maasvlakte 2, want dit is ­havengeschiedenis.”

Eind juni meldde het Algemeen Dagblad dat rioolwerkers bij graafwerk in de Oude Manhuissteeg in Delft de ­muren van de herberg blootlegde waar de schilder Johannes Vermeer heeft gewoond, eerst met zijn ouders en oudere zus Geertrui. Het was bekend dat de herberg Mechelen daar ooit had gestaan.

“Maar ik had niet verwacht dat er zulke gave resten van de fundering zouden worden aangetroffen”, zei Herman Weyers van het Vermeer Centrum.

Circus Sarrasani

De werkelijkheid is vaak gekker dan de fantasie. In die categorie valt het verhaal van de olifant Jenny, waarnaar het Jenny Plantsoen aan de Hemsterhuisstraat in Den Haag is vernoemd. Jenny, in 1937 met circus ­Sarrasani naar Scheveningen gekomen, werd na de voorstelling in een trein ­geladen.

Althans, dat was de bedoeling. Op het station aan de Zwolsestraat zakte Jenny in elkaar. Het Museum voor ­Onderwijs kocht de dode olifant voor vijftig gulden om het skelet tentoon te stellen. Het lichaam werd uitgebeend en het skelet werd in een vijver in het ­Zuiderpark gelegd, zodat de algen de botten schoon konden eten. Na een jaar werd Jenny opgetakeld, groen van de algen, en in de tuin van het museum begraven om wit te worden. Maar toen brak de Tweede ­Wereldoorlog uit. Jenny werd ­vergeten.

Spoorloos

Een halve eeuw later dook ineens het verhaal van Jenny weer op. Maar niemand kon zich meer herinneren waar het skelet was begraven. In 1991 werd het Museum voor Onderwijs afgebroken en werd er uitgebreid gezocht, maar er werd niks gevonden. Jenny was spoorloos.

Nog steeds is het een raadsel wat er met het skelet is gebeurd. Misschien dat een aannemer ooit, ergens in de buurt van de Haagse Hemsterhuisstraat, een merkwaardige ontdekking doet. Met dank aan circus Sarrasani.

Maaike Sier moet erom lachen. “Dit kan ik niet echt serieus nemen. Ik heb nog wel iets bijzonders. Een van onze mooiste vondsten is de opgraving van een terp met zesboerderijen van ­duizend jaar oud onder de huidige Markthal. We vermoedden al dat daar archeologie in de grond zat. Het bouwplan moest dus worden voorgelegd aan het bevoegd gezag om te toetsen of er aanvullend onderzoek nodig was. Dat bleek het geval. Maar bij verreweg de meeste projecten hoeft dat niet. Bij ­ongeveer 80 procent van de bouw­plannen die de archeologische dienst bekijkt, is vervolgonderzoek niet nodig.”

Reageer op dit artikel