nieuws

Bouwcontract creëert schijnzekerheid

bouwbreed 109

Bouwcontract creëert schijnzekerheid

De bepalingen in een bouwcontract over samenwerken creëren vooral  schijnzekerheid en desinteresse. Houding en gedrag laten zich niet afdwingen in papierwerk. “Maar toch groeit die behoefte.”

Peter Kamminga, verbonden aan de VU-Amsterdam en Harvard University rondt nog dit jaar zijn onderzoek af naar samenwerken in de bouw, maar klapt alvast uit de school tijdens een expert-meeting bij de VU-Amsterdam. “Het contract gaat uit van een ideale juridische werkelijkheid die regelmatig mijlenver afwijkt van de praktijk.

De aanname lijkt dat partijen exact doen wat is voorgeschreven. Zij hebben de dezelfde interpretatie van het contract, omstandigheden veranderen maar beperkt en een rechter kan het contract interpreteren als er toch onduidelijkheden zijn. Al met al creëert het contract vooral een schijnwerkelijkheid”, vat Kamminga zijn bevindingen van de afgelopen drie jaar in enkele zinnen samen.

Gedrag is maar beperkt vast te leggen

“Dat juridisch ideaal is niet alleen anders dan de werkelijkheid maar de focus daarop werpt obstakels op voor samenwerking en leidt ook vaak tot desinteresse in elkaars belangen en beleving.” De hoogleraar pleit er niet voor het contract maar overboord te gooien, maar waarschuwt wel voor de beperkte houdbaarheid en beperkte mogelijkheden om gedrag vast te leggen. De uitkomsten in zowel de gww als de b&u zijn vergelijkbaar en kennen dezelfde beperkingen.

Valse start ligt op de loer

“Omdat in de aanbestedingsfase de focus vooral ligt bij de juridische en economische dimensie sneeuwt de relationele dimensie van contractuele relaties in die fase eenvoudig onder – er is te weinig aandacht voor de relationele kant. Dat leidt soms tot een valse start in de contractfase.” Tijd, geld en kwaliteit strijden als belangen onderling met elkaar en komen regelmatig in conflict.

Kamminga constateert dat nieuwe juridische kaders ook nieuwe onzekerheid opleveren. “De risico’s op misverstanden zijn vaak aanzienlijk. Het is kostbaar om telkens met nieuwe contractvormen te komen want het kost jaren voordat men weet hoe het werkt en hoe de markt erop reageert – soms blijven partijen hangen in oude patronen die niet passen bij de nieuwe kaders. Een nieuw contract brengt dus niet automatisch nieuw gedrag.”

De hoogleraar pleit dan ook niet voor radicaal nieuwe koers, maar wel voor een andere visie op de bestaande juridische kaders. “Pas als contractbepalingen in harmonie zijn met economische prikkels en de relationele dimensie, ligt er een stevig fundament voor samenwerking.”



Lees woensdag het weekblad voor nog veel meer bespiegelingen over samenwerken in de bouw.

 

Reageer op dit artikel