nieuws

‘Een galerijflat is het product van vernuftige geesten’

bouwbreed

‘Een galerijflat is het product van vernuftige geesten’

Galerijflats een sta in de weg of een vat vol mogelijkheden? Leg die vraag voor aan architectuurcriticus Ruud Brouwers en hij steekt van wal. Uren kan hij vertellen over de ongekende mogelijkheden van dit veelal verguisde gebouwtype waarvan er in de decennia na de Tweede Wereldoorlog duizenden verrezen.

In zijn hooggelegen appartement met weids uitzicht over de Rotterdamse haven steekt Ruud Brouwers zijn enthousiasme over de galerijflat niet onder stoelen of banken. “Ik ben gefascineerd geraakt door dit type gebouw”, zegt hij glimlachend over het soort woongebouw waarvan het aanzien velen koude kriebels bezorgt. “Mensen die niet in zo’n gebouw wonen, vinden het veelal niks. En eerlijk gezegd kan ik me daar wel iets bij voorstellen. Vijftien jaar geleden dacht ik er niet veel anders over. Sindsdien ben ik me in de galerijflat gaan verdiepen en is mijn fascinatie alsmaar gegroeid.”

De bekoring die van het huizenblok uitgaat, komt naar voren in het boek dat hij samen schreef met de architecten Hans van Heeswijk en Dick de Gunst, ‘Nieuwe kansen voor de galerijflat’. “Ze zijn het product van vernuftige en ondernemende geesten. Ze vertegenwoordigen een kwaliteitssprong in de naoorlogse woningbouw”, schrijven zij. “Ze betekenen ook nog eens de leniging van de kwellende woningnood in de jaren na de Tweede Wereldoorlog.” Superlatieven die hij in zijn Rotterdamse appartement moeiteloos staaft met de ene na de andere foto van galerijflats.

Waardering

Brouwers bezocht dan ook uiteenlopende flats in binnen- en buitenland. “Wat me in de eerste plaats opviel is dat de bewoners vaak zo tevreden zijn over hun woning. Je komt er mensen tegen die er al decennia wonen en niets anders willen. Over dat soort waardering moeten we niet te min denken”, benadrukt hij. Om er somber aan toe te voegen dat argumenten in het voordeel van de galerijflat veelal zonder meer worden weggewuifd.

In dat verband noemt hij Hoog Lindoduin in Scheveningen. De eigenaar van het gebouw, corporatie Vestia, wil het uiterlijk in 2018 slopen. Dit tot schrik van de bewoners en van de architecten Van Heeswijk en De Gunst. Zij zien uiteenlopende mogelijkheden om het enorme complex nieuw leven in te blazen. “Twee keer zijn er plannen geweest om het gebouw te behouden en even zoveel keren zijn die weer afgeblazen”, verzucht Brouwers.“Doodzonde. Het is een galerijflat die veel mogelijkheden biedt en door de bewoners zeer op prijs wordt gesteld.”

Zulke waardering valt ook veel andere galerijflats ten deel en is te danken aan verschillende aspecten van het gebouwtype. De woningen in een galerijflat zijn doorgaans ruim, centraal gelegen en derhalve goed bereikbaar. Daar staat tegenover dat de meeste snel zijn neergezet vanwege de knellende woningnood in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. “Ze zijn eigenlijk niet af”, zegt Brouwers. “En daar kun je nu op inspelen door bijvoorbeeld de plinten een duidelijke bestemming te geven en voorzieningen te treffen die ze missen.”

Als voorbeelden van geslaagde verbouwingen noemt hij de woongebouwen de Moerbosch, ’t Sluisje en de Gentiaan in Apeldoorn. Voor de renovatie waren het grauwe complexen. Nu zijn het parels in de wijk. “De wijze waarop Dick de Gunst en Hans van Heeswijk de woongebouwen hebben aangepakt, was daar de reden van.” Zij zorgden ervoor dat aan het oog onttrokken trappenhuizen als het ware doorzichtig werden gemaakt, evenals de balustraden van de galerijen en de balkonhekken. Daarnaast werden besloten entrees vervangen door heldere en overzichtelijke ruimten die van meerdere kanten toegankelijk zijn. “De trappenhuizen zijn van onder tot boven opengezaagd”, schrijft Brouwers in zijn boek. Bijna lyrisch laat hij erop volgen: “Een glazen huis met witte liften, met vensters in glazen schachten en doorzichtige trappen zijn er voor in de plaats gekomen.”

Zo’n vernieuwing ligt niet voor elke galerijflat in het verschiet, realiseert Brouwers zich. Dat is ook niet altijd nodig. Veel winst is al te behalen met beheer dat is aangepast aan de noden van de woongebouwen. “Zo’n gebouw is niet zo even bedacht, het is een deskundig ontwikkeld systeem en zo moet het ook worden verzorgd”, legt hij uit. “Dat gebeurt helaas lang niet altijd. In veel gevallen wordt het onderhoud overgelaten aan iemand zonder specifieke kennis van het systeem. Daar hebben de woongebouwen onder te lijden. Het onderhoud is in feite een opgave voor een architect met verstand van systeemgebouwen.”

Deskundigheid

Zonder zo’n deskundige begint vaak een vicieuze cirkel die eindigt in het besluit complexen te slopen. En dat spijt Brouwers zichtbaar. “Portieketagewoningen uit de jaren vijftig en zestig hebben veelal een oppervlakte van 60 tot 70 vierkante meter, zonder centrale verwarming en met een lage plafondhoogte. Als zulke woningen zelfs niet meer aan studenten verhuurd kunnen worden, kan ik een beslissing om te slopen rechtvaardigen.”

De meeste flatwoningen daarentegen hebben een riant woonoppervlak tussen 90 en 100 vierkante meter, met centrale verwarming, ruime badkamer en woningbreed balkon. Als ze dan ook nog eens op een centrale plek in de stad liggen in de buurt van openbaar vervoer en er genoeg huurders voor zijn, moet de sloopkogel niet te snel worden gehanteerd, vindt Brouwers. “Het is waar dat je er soms niet onderuit komt een gebouw te slopen. Denk bijvoorbeeld aan onverhuurbare flats in krimpgebieden. In die situatie is het verstandig om op zo’n plek ruimte te maken voor iets nieuws, waardoor de omgeving weer aantrekkelijk wordt. Dat neemt niet weg dat het slopen van galerijflats een uiterste middel moet zijn.”

Galerijflat

Nieuwe kansen voor de galerijflat. Ideeën en aanbevelingen voor de komende vijftig jaar. Ruud Brouwers, Dick de Gunst, Hans van Heeswijk, NDCC Publishers, AmsterdamISBN 978-90-803635-7-1

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels