nieuws

Wel of geen referentie-eis?

bouwbreed

Het stellen van een referentie-eis in aanbestedingen is zeer gebruikelijk. Het biedt de aanbesteder inzicht in de ervaringen van de inschrijvers, met het uiteindelijke doel om te toetsen of de inschrijvers in staat zijn de concrete opdracht uit te voeren.

Maar mag de aanbesteder de referentie-eis na ontvangst van de inschrijvingen laten vervallen? De rechtbank Den Haag oordeelde recentelijk dat dit niet mag, ook al heeft het laten vervallen van de referentie-eis vóór de inhoudelijke beoordeling van de inschrijvingen plaatsgevonden (LJN: CA3424).

Deze uitspraak is gedaan in een geschil tussen een gemeente en Yucat BV. De gemeente verzendt in februari 2013 aan drie gegadigden, waaronder Yucat, offerteaanvragen voor de meervoudige onderhandse aanbestedingsprocedure terzake software voor toezichthouders op de bouwplaats. Het gunningscriterium is emvi.

De gemeente bericht de inschrijvers op 4 april 2013 dat geen van hen aan de referentie-eis voldoet. Daarom merkt de gemeente deze eis niet aan (meer) als uitsluitingsgrond. Op 10 april 2013 laat zij vervolgens weten dat alle inschrijvers een gelijkwaardige offerte hebben ingediend en dat de opdracht voorlopig wordt gegund aan de inschrijver met de laagste prijs.

Yucat is het met dit gunningsvoornemen niet eens en begint een kort geding tegen de gemeente. De rechtbank stelt Yucat in het gelijk. Zij oordeelt dat nu de gemeente de referentie-eis eerst na de inschrijving heeft laten vervallen, zij heeft gehandeld in strijd met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling. Bovendien is er onduidelijkheid over de referentie-eis zelf en wordt het hierdoor onmogelijk na te gaan of de inschrijvers aan die eis voldeden en of heraanbesteding tot dezelfde inschrijvingen zou hebben geleid. De aanbestedingsprocedure dient bovendien gestaakt te worden, omdat de voortgezette procedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

De aan het aanbestedingsrecht ten grondslag liggende beginselen van transparantie en gelijke behandeling vereisen dat de voorwaarden inzake de deelneming aan een opdracht tevoren duidelijk moeten zijn bepaald en dat deze verplichtingen voor alle potentiële inschrijvers gelden, zodat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het oordeel van de rechtbank Den Haag is in lijn met deze beginselen. De gemeente had deze uitkomst dan ook kunnen zien aankomen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels