nieuws

‘We doen dit niet om één groot kennisinstituut te maken’

bouwbreed Premium

Om een eind te maken aan de versnippering van de bouwkennis in tientallen onderzoekinstituten begonnen Rijkswaterstaat, de Rijksgebouwendienst en Bouwend Nederland met een nieuw initiatief. Volgens Jan Hendrik Dronkers, directeur-generaal van RWS en voorzitter van De Bouwcampus wordt het een plek waar opdrachtgevers, kennisinstellingen en aannemers elkaar vinden en ideeën kunnen uitwisselen.

Synergie – dit buzzword van managers uit de jaren negentig neemt Dronkers – wijselijk – niet in de mond. Maar het woord omschrijft precies wat de bedoeling moet zijn van De Bouwcampus: een samenwerking die meer oplevert dan de simpele som der delen.

“Een smeltkroes van kennis”, zegt hij zelf. “Laat ik een voorbeeld geven. Rijkswaterstaat moet voor 2040 een hele reeks stuwen vernieuwen. Dan kan ik dat traditioneel aanpakken en simpelweg een planning maken en gefaseerd aanbesteden. Maar straks kan ik naar De Bouwcampus met de vraag: hoe pakken we dit aan? Kunnen we een andere manier verzinnen om het proces te versnellen of verbeteren? Zijn er nieuwe technieken die gebruikt kunnen worden? Dat zijn vragen die je nu niet op één plek kan stellen.”

Volgens Dronkers is De Bouwcampus een antwoord op de vraag naar vernieuwing vanuit opdrachtgevers en uit de markt. Die innovatie kan niet langer alleen komen van de kriskras over het land verspreide kennisinstituten en universiteiten. Er is veel meer uitwisseling nodig en daarvoor is een fysieke plek noodzakelijk. “De bouwinstituten ontmoeten elkaar wel eens op een gezamenlijk congres, maar daar blijft het vaak bij.

Wat je uiteindelijk wilt is een gewenst product op een nieuwe manier bouwen. Dat kan alleen als je een omgeving creëert waar interactie plaatsvindt en waar verbinding is, zonder dat er meteen sprake moet zijn van een competitie. Waar kan dat nu?”

Voor de Delftse Bouwcampus heeft Dronkers het voorbeeld van de High-Tech campus in Eindhoven, waar een amalgaam is ontstaan van academici, technische instituten en high-tech bedrijven. “Voor de bouw bestaat dit niet, nergens ter wereld. Nederland is altijd een voorloper geweest in de bouw. Juist hier kunnen we dat van de grond krijgen.”

Aantrekkelijk

St raks is De Bouwcampus the place to be , verwacht Dronkers. Dat komt niet alleen omdat de kennisinstituten op dezelfde plek zitten, maar ook vanwege de aanwezigheid van de TU Delft en TNO. “Iedereen kan elkaar ontmoeten en kennis uitwisselen. Dat is heel aantrekkelijk voor opdrachtgevers en –nemers in de bouw. Die zitten ook met vragen die ze beantwoord willen zien, zonder dat ze daarvoor een heel aanbestedingstraject in moeten. Als opdrachtgever zou ik weleens van aannemers willen weten: waarop moet ik tenderen? Hoe krijg ik ze scherp?”

Het zou Dronkers daarom niet verbazen wanneer – op termijn – bouwbedrijven, ingenieursbureaus en grote opdrachtgevers besluiten tot een fysieke vertegenwoordiging op De Bouwcampus. “Het moet straks ook mogelijk zijn dat, wanneer een aannemer vragen heeft over de aanpak van een bouwproject, hij overlegruimte kan huren en gesprekken kan inplannen met experts van een kennisinstituut, maar bijvoorbeeld ook met andere opdrachtgevers om naar hun ervaringen te vragen.” De Bouwcampus kan dus ook fungeren als een soort neutrale zone, waar – ongeacht de concurrentiepositie in de markt – informatie kan worden uitgewisseld. Volgens Dronkers is daar dringend behoefte aan. “Er is in de loop der jaren een heel gejuridificeerde verhouding gecreëerd tussen overheid en bouw. Wanneer heb ik nou contact met een aannemer? Pas als er een probleem is! Dat is toch gek? Opdrachtgever en opdrachtnemer zijn partners, en die willen weleens informatie uitwisselen zonder het gelijk in een tender te moeten zetten.” Hij is niet bang dat overleggen tussen bouwpartners tot schimmige deals kunnen leiden. “Uiteindelijk moet er transparantie zijn over wat er wordt besproken. Bovendien: partijen weten donders goed wanneer de grens wordt overschreden.”

Toch is er ook kritiek. Niet alle onderzoekinstituten willen mee in De Bouwcampus, en in de bouwwereld wordt getwijfeld of de gehoopte innovatie echt plaatsvindt. Dronkers waarschuwt voor hoge verwachtingen op de korte termijn. “Dit project zal zich moeten ontwikkelen. Dat gaat niet van de een op andere dag. Het heeft enkele jaren nodig voor we resultaten gaan zien.”

Hij benadrukt dat het niet om een fusie gaat. “Veranderen van structuur is lastig. Dat hebben we gezien bij de mislukte fusie van CUR en CROW. Die vonden elkaar uiteindelijk niet. Het maakte duidelijk dat we ons meer moeten richten op de resultaten in plaats van de structuren. Maar we doen dit niet om één groot kennisinstituut te maken. Het gaat er meer om dat er een omgeving ontstaat waarbij de organisaties vanuit hun eigen identiteit deelnemen aan die smeltkroes.”

“Het belangrijkst is: er moet een plek zijn. Daarom hebben we ons juist gericht op de juiste plaats, en niet de vestigingsplaats van de grootste organisatie. Delft was duidelijk de beste optie.”

Dronkers heeft weinig twijfel over het uiteindelijke succes. “Ik ben geen eenzame roepende in de woestijn. Er is eigenlijk geen weg meer terug. We hebben een groep organisaties die enthousiast zijn over het project, een soort coalition of the willing . CUR/CROW is niet gelukt. Dit is tot nu toe wel gelukt. We hebben dus een goede afslag genomen.” n

Reageer op dit artikel