nieuws

Net van 35.000 NAP-bouten controleren met barcode

bouwbreed Premium

Landmeters zijn momenteel in Noord-Nederland bezig met een nauwkeurigheidswaterpassing van 5000 NAP-bouten. Elke tien jaar controleren ze in opdracht van Rijkswaterstaat het secundaire net, dat in heel Nederland zo’n 35.000 NAP-bouten telt. Overheidsdiensten, ingenieursbureaus en aannemers gebruiken de bouten bij de bouw van bijvoorbeeld bruggen, wegen en gebouwen.

“De controle van de NAP-bouten is heel arbeidsintensief”, vertelt Joost Assendelft van advies- en ingenieursbureau Advin, dat twee van de vijf gebieden in Noord-Nederland onder zijn hoede heeft. Het gaat in dit geval om 1100 en 1050 bouten. De onopvallende bronzen kopspijkers met daarin de letters NAP , de afkorting van Normaal Amsterdams Peil, staan op maximaal 1 kilometer afstand van elkaar. De landmeters van Advin doen een half jaar over een gebied en lopen dan met z’n beiden zo’n 1800 kilometer: 900 kilometer van bout naar bout en weer terug. Met de meetinstrumenten op de driepoot als ballast, in weer en wind.

De landmeters van Advin en andere bureaus verzamelen grote hoeveelheden gegevens. Rijkswaterstaat controleert de ruwe data op betrouwbaarheid en nauwkeurigheid via rekenkundige modellen. Pas dan worden ze in de centrale database gepubliceerd, die na registratie gratis is te raadplegen.

Met behulp van de verzamelde meetdata kunnen bijvoorbeeld waterschappen zorgen dat de duinen en dijken rond en in Nederland op hoogte blijven. Zowel de waterhoogte als de hoogte van het land wordt daarom voortdurend gemeten. Uitgangspunt is de nul op de schaal van Normaal Amsterdams Peil, die voor het gemiddelde zeeniveau staat. Het peilmerk onder het putdeksel op de Dam voor het Koninklijk Paleis geldt als beginpunt. Initiatiefnemer is de toenmalige burgemeester Hudde, die in de 17de eeuw zijn stad Amsterdam tegen overstromingen wilde beschermen. Pas sinds 1885 is NAP officieel in gebruik. Duitsland heeft het Nederlandse referentiepeil overgenomen en heet daar ‘Normal Null’.

Heipalen

Rijkswaterstaat heeft het NAP-net gekoppeld aan peilstations langs de Noordzeekust, de binnenwateren en rivieren. Het secundaire net is gekoppeld aan het primaire netwerk, dat vierhonderd ondergrondse peilmerken telt. Daarvan worden zo’n 290 daadwerkelijk gebruikt. Ze zitten op de kop van heipalen, die in de eerste pleistocene lagen zijn geheid. Daardoor kan een stabiele hoogte worden afgegeven.

Niet alleen de precieze plek van alle 35.000 bronzen bouten staat in de database van Rijkswaterstaat, ook de meest recente hoogte is voor de geregistreerde gebruikers online te vinden. De zichtbare peilmerken van het secundaire net zitten in muren, kaden en op palen. De betrouwbaarheid van de gegevens van elke bout is afhankelijk van diverse factoren. Bodemdaling als gevolg van het winnen van delfstoffen en inklinken van de bovenste bodemlagen horen daarbij.

De landmeters van Advin waterpassen de NAP-bouten, controleren de beschrijvingen zoals ze in de database staan en plaatsen soms ook nieuwe NAP-bouten. De hoogteverschillen tussen de bouten worden gemeten met een nauwkeurigheid van een tiende millimeter. Vroeger moesten de metingen handmatig van de baak worden afgelezen. Tegenwoordig gebeurt dit digitaal via een barcode. Alles wordt berekend en bijgehouden in een externe handheld-computer met software van Rijkswaterstaat, die is gekoppeld aan het waterpasinstrument. Joost Assendelft: “Voordeel is dat de landmeter de gemeten waarden niet hoeft op te schrijven. De barcodebaak wordt als het ware gescand zoals we ook onze boodschappen in de supermarkt scannen.”

Assendelft denkt dat in de nabije toekomst de hoogte van de NAP-bouten met behulp van satellieten wordt gemeten. De techniek verbetert nog steeds. “De NAP-bouten zullen dan wel op plaatsen moeten zitten met een vrije horizon, zodat de signalen van voldoende satellieten kunnen worden ontvangen. Als de bout in een huis zit, kan dat niet.’’

Baak en satelliet

De tienjaarlijkse controle van de 35.000 NAP-bouten in Nederland gebeurt voorlopig nog niet met behulp van gps-apparatuur. Met in het gunstigste geval een afwijking van ongeveer 1 centimeter is een normale gps-meting te onnauwkeurig, vertelt Joost Assendelft van advies- en ingenieursbureau Advin. Landmeters gebruiken nu hun waterpasinstrument en baak, waarmee zij tot op een tiende millimeter nauwkeurig werken. Op de korte afstand is waterpassen veel nauwkeuriger dan gps. Over langere afstanden wordt dit verschil kleiner.

Reageer op dit artikel