nieuws

Geschiktheidseisen en uitsluitingsgronden Aanbestedingswet

bouwbreed

Op 30 oktober 2012 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Aanbestedingswet. De Aanbestedingswet zal naar verwachting op 1 januari 2013 in werking treden. Jacob Henriquez behandelt de belangrijkste veranderingen die de Aanbestedingswet – vergeleken met het Besluit aanbestedingsregels overheidsopdrachten (Bao) – met zich meebrengt met betrekking tot geschiktheidseisen en uitsluitingsgronden.

Een aanbestedende dienst beoordeelt op grond van geschiktheidseisen of een inschrijver aan de criteria voldoet om voor gunning van de opdracht in aanmerking te komen. Het gaat hierbij om eisen met betrekking tot de financiële draagkracht en technische en/of beroepsbekwaamheid.

Het Bao richt zich alleen op de wijze waarop inschrijvers hun geschiktheid kunnen aantonen. De eisen worden immers door de aanbestedende dienst bepaald. In het Bao staat wel dat wanneer een aanbestedende dienst minimumeisen stelt met betrekking tot draagkracht en bekwaamheid, deze in verhouding moeten staan tot het voorwerp van de opdracht.

In de Aanbestedingswet is opgenomen dat indien een aanbestedende dienst geschiktheidseisen stelt ten aanzien van de financiële draagkracht, deze eisen geen betrekking mogen hebben op de hoogte van de totale omzet en de omzet van de bedrijfsactiviteit die het voorwerp van de overheidsopdracht is. Met andere woorden, er mogen geen eisen meer worden gesteld ten aanzien van de omzet. Behalve indien hiervoor zwaarwegende argumenten zijn.

Bovendien geldt dat indien de geschiktheidseisen betrekking hebben op de omzet, die eis niet hoger mag zijn dan driemaal de geraamde waarde van ten eerste de opdracht, ten tweede een gelijktijdig uit te voeren perceel of specifieke opdracht, of ten derde de raamovereenkomst.

De ratio van deze regeling is terug te lezen in de memorie van toelichting van de Aanbestedingswet, te weten een concrete invulling van het algemene proportionaliteitsbeginsel: “(…) omdat eisen die niet proportioneel zijn tot gevolg kunnen hebben dat een deel van de mogelijk geïnteresseerde ondernemers bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij niet aan de eisen kunnen voldoen. Een minder diverse markt leidt tot minder concurrentie en innovatie”.

Uitsluitingsgronden

Uitsluitingsgronden zijn net als geschiktheidseisen, gronden die de inschrijver betreffen en die uitsluiting van deelneming aan aanbestedingsprocedures kunnen rechtvaardigen (artikel 45 Bao). Er zijn dwingende en facultatieve uitsluitingsgronden. Hoe luidt de regeling in de Aanbestedingswet?

Artikel 2.86 lid 2 van de Aanbestedingswet bevat enkele dwingende uitsluitingsgronden. De overtredingen die daarin zijn opgenomen zijn – kort samengevat – witwassen, fraude met EU-subsidie, lidmaatschap van een criminele organisatie en omkoping van ambtenaren. Artikel 2.86 lid 3 van de Aanbestedingswet bepaalt tevens voor welke veroordelingen op grond van het Wetboek van Strafrecht dwingende uitsluiting geldt. Deze bepaling komt overeen met het huidige artikel 45 lid 1 Bao.

Nieuw in de Aanbestedingswet is dat de aanbestedende dienst een terugkijktermijn van vier jaar moet toepassen. De keuze voor een termijn van vier jaar is het resultaat van een afweging tussen enerzijds de aard van de feiten waar het hier om gaat en anderzijds het belang van een ondernemer jegens wie niet tot in lengte van jaren gedragingen uit het verleden moeten worden nagedragen. Door het vaststellen van een vaste termijn wordt de toepassing van de dwingende uitsluitingsgronden vergemakkelijkt.

Artikel 2.87 van de Aanbestedingswet bevat de facultatieve uitsluitingsgronden en komt overeen met de regeling uit het Bao. Ook voor de facultatieve uitsluitingsgronden zal in de Aanbestedingswet een terugkijktermijn van vier jaren worden gehanteerd.

In de Aanbestedingswet wordt het daarnaast mogelijk om af te zien van de toepassing van dwingende of facultatieve uitsluitingsgronden, wanneer de inschrijver naar het oordeel van de aanbestedende dienst voldoende maatregelen heeft genomen om het geschonden vertrouwen te herstellen (zogeheten ‘schoon schip’-maatregelen die herhaling moeten voorkomen) en indien naar het oordeel van de aanbestedende dienst uitsluiting niet proportioneel is met het oog op de tijd die is verstreken sinds de veroordeling en gelet op het voorwerp van de opdracht. Dit zijn twee aanvullende afwijkingsgronden naast het algemeen belang criterium (art. 2.88).

Conclusie

In de Aanbestedingswet is opgenomen dat er geen omzeteisen mogen worden gesteld, tenzij daarvoor zwaarwegende argumenten zijn aan te dragen. Bovendien bevat de Aanbestedingswet aanvullende mogelijkheden voor aanbestedende diensten om af te zien van dwingende uitsluitingsgronden en beperken de uitsluitingsgronden zich tot zaken die zich in een tijdbestek van vier jaar voorafgaand aan de aanbesteding hebben afgespeeld.

Volgens het persbericht van de rijksoverheid van 30 oktober 2012 krijgen ondernemers dankzij de Aanbestedingswet meer kansen om overheidsopdrachten binnen te slepen. Alles wijst er op dat met het invoeren van de zojuist besproken maatregelen in de Aanbestedingswet een stap in de goede richting wordt gedaan. Uiteindelijk zal de praktijk moeten uitwijzen of het beoogde effect ook wordt bereikt.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels