nieuws

Onvrede over de 
tevredenheidsverklaring

bouwbreed Premium

De Rechtbank Zwolle wees onlangs vonnis in een aanbestedingszaak tussen waterschap Velt en Vecht en een ondernemer (LJN: BW1043).

Het waterschap hield een openbare aanbesteding voor een renovatiewerk. Het gunningscriterium was de laagste prijs. In het bestek was – kort samengevat – opgenomen dat een inschrijver per werk moest vermelden voor welke publiek- of privaatrechtelijke instantie zij bestemd was. Deze vermelding diende vergezeld te gaan van een tevredenheidsverklaring van de bedoelde instantie.

Ondernemer (A) schreef zich met de laagste prijs in, maar het waterschap verklaarde zijn inschrijving ongeldig. A was het hier niet mee eens en startte een kort geding.

Het waterschap droeg vier gronden aan op grond waarvan de inschrijving ongeldig was verklaard. Eén betrof de tevredenheidsverklaring. Partijen waren verdeeld over de vraag van wie de tevredenheidsverklaring afkomstig moest zijn.

Volgens A is dat – bij een referentiewerk in onderaanneming – de hoofdaannemer, die in relatie tot de onderaannemer opdrachtgever is. Volgens het waterschap kan, met de verwijzing die in het bestek is opgenomen, slechts bedoeld zijn de aanbestedende dienst of opdrachtgever van de hoofdaannemer.

De rechtbank oordeelde dat aanbestedingsstukken, naar hun aard bestemd zijn om de rechtspositie van derden (potentiële inschrijvers) te beïnvloeden, zonder dat deze derden invloed hebben op de totstandkoming daarvan. Daarom moet voor de uitleg de CAO-norm worden toegepast, hetgeen inhoudt dat de bewoordingen van een bepaling (gelezen in de context van de gehele tekst) doorslaggevend is.

Het bestek kon zo worden uitgelegd dat de hoofdaannemer, als opdrachtgever van de onderaannemer, is aan te duiden als instantie voor wie het werk bestemd is. Zo’n lezing is echter hoogst onwaarschijnlijk, aldus de voorzieningenrechter. Uit de context (vervolg besteksbepaling) bleek dat het ‘werk’ betrekking had op de opdracht die door een aanbestedende dienst is verstrekt. De rechtbank oordeelde dat A’s inschrijving terecht ongeldig is verklaard, nu A een tevredenheidsverklaring van de hoofdaannemer had ingediend.

Op grond van het transparantiebeginsel moeten alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers ide criteria op dezelfde wijze kunnen interpreteren. De interpretatie van de besteksbepaling die A voorstond, is creatief te noemen, maar toepassing van de CAO-norm kon naar mijn oordeel niet tot een andere uitkomst leiden.

Reageer op dit artikel