nieuws

Geschikte geschiktheideisen

bouwbreed

Wat zou het toch fijn voor inschrijvers zijn wanneer geschiktheideisen op geschiktheid werden getoetst. Als aanbesteder bent u wellicht huiverig voor een inschrijver die een te grote broek aantrekt, en besluit u daarom om er eens goed voor te zitten en op te sommen waaraan de inschrijver allemaal moet voldoen om uw tweede blik waardig te zijn.

Vorige week nog werd een cliënt van mij geconfronteerd met een heel vriendelijk maar vilein briefje van een niet-inschrijver die schreef dat hij de gunning met interesse ging volgen, omdat niemand van de inschrijvers aan de gestelde ervaringseisen kon voldoen. Helaas had de briefschrijver gelijk. Met geen mogelijkheid konden de inschrijvers (of wie dan ook in Nederland) aan de eisenlijst voldoen. Er bestond domweg nog geen gelijk project. De verlanglijst van deze opdrachtgever was door angst zo groot geworden, dat er niemand meer overbleef.

Stiekem moet ik dan altijd denken aan sommige van mijn single vriendinnen wanneer ze het over de kwaliteiten hebben die hun toekomstige partner moet hebben. Het zou zo verfrissend zijn als ze eens zouden zeggen; “het maakt me niet uit hoe hij eruit ziet, wat hij verdient en of ie kinderen heeft of wil, als ik ‘m maar leuk vind en als ‘ie maar lief voor me is.” Terwijl dat toch in mijn ogen de enige ter zake doende geschiktheideisen zijn. Zo blijven er tenminste genoeg kandidaten over om uit te kiezen.

Eigenlijk is dat ook de conclusie van het recent gepubliceerde onderzoek van het economisch instituut voor de Bouw ‘Openbare aanbestedingen in de gww’ door Sander Hardeman en Arno van der Vlist. Het EIB heeft onderzocht wat de invloed is van het gewicht van geschiktheideisen op het aantal ondernemingen dat inschrijft op openbare aanbestedingen en de inschrijfprijzen. Uit een enquête die door de auteurs is gehouden, is gebleken dat twee op de drie bedrijven ervaring met vergelijkbare werken als één van de meest belemmerende eisen ervaren. Wanneer de eisen naar beneden zouden worden bijgesteld, zou dit in veel gevallen tot een verlaging van de inschrijfprijzen leiden, zonder dat dit afbreuk zou doen aan de kwaliteit van het werk, aldus het EIB. Dat is prachtig, maar wat schiet u hier mee op? Volgens de Leidraad Aanbesteden 2009 van de commissie Aanbesteden zou een referentiewerk als hoofdregel op maximaal 60 procent van de geraamde waarde van de aanbestede opdracht mogen worden gesteld. Slechts onder bijzondere omstandigheden zouden de specifieke kenmerken van de opdracht zwaardere geschiktheideisen kunnen rechtvaardigen. De meesten van u kennen die 60 procent regel wel. Maar doet u er ook wat mee?

Aanbesteders (en mijn vriendinnen) zouden zich moeten realiseren dat het stellen van te veel eisen ertoe kan leiden dat niet de juiste partijen (of zelfs helemaal niemand!) naar je hand komt dingen. Inschrijvers op hun beurt moeten de aanbesteder ook actief aanspreken op onredelijke geschiktheideisen, en mogelijk zelfs alternatieven voorstellen. Heeft de aanbesteder niet bewust zoveel eisen gesteld, dan is hij best bereid zijn eisen aan te passen. Zeker wanneer – als hij eigenwijs blijft – u naar de rechter stapt, die mogelijkheid bestaat en daar wordt regelmatig maar nog niet voldoende gebruik van gemaakt. Zo kunnen aanbesteder en inschrijver er samen voor zorgen dat de juiste match tot stand komt.

Plas Bossinade Advocaten

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels