nieuws

Zorgcentrum: eerst praten in de wijk, dan pas huisvesting

bouwbreed Premium

Een succesvol zorgcentrum voor huisarts, fysiotherapeut en apotheek begint niet bij het gebouw, maar bij het lokale zorgnetwerk. Dat stelt directeur Arjan Hoop van de landelijke keten Zorgpunt.

Directeur Arjan Hoop van Zorgpunt, een landelijke keten van zo’n dertig zorgcentra, krijgt ze wel eens aan de lijn. Aannemers en projectontwikkelaars die een mooi zorggebouw voor hem in de aanbieding hebben. Maar daar kan hij meestal niets mee. “Deze markt is zo lokaal. Wil je een zorgcentrum goed laten draaien, dan moet je eerst met de zorgpartijen in een wijk gaan praten. Pas dan komt de huisvesting.”

Zorgpunt is een gezamenlijke onderneming van zorgverzekeraar Menzis en Reggeborgh, de investeringsmaatschappij van bouwer Dik Wessels. Het zorgbedrijf, dat voor 50 procent eigendom is van Menzis en voor 50 procent van Reggeborgh, richt zich op de eerstelijnszorg; onder meer huisarts, fysiotherapeut, psycholoog en apotheek. Zorgpunt is landelijk actief, maar een flink deel van diens zorgcentra staat in Zuid-Holland. De vestigingen, goed voor zo’n 10.000 vierkante meter, bedienen zo’n 125.000 cliënten.

Het onderbrengen van lokale zorgcentra in een landelijke commerciële organisatie als Zorgpunt is een ontwikkeling die de afgelopen anderhalf jaar in een stroomversnelling is gekomen. Zo is sinds kort ook Arts en Zorg actief dat wordt gefinancierd door NPM Healthcare, een afsplitsing van investeringsmaatschappij NPM Capital die het vermogen beheert van de familie Fentener van Vlissingen.

“Wij willen geen cent vastgoed op de balans hebben staan en huren al onze huisvesting”, vertelt Hoop van Zorgpunt. Dat wil niet zeggen dat huisvesting onbelangrijk is. Eén medewerker is dagelijks bezig met het realiseren van een optimale huisvesting voor de zorgcentra. “Idealiter zou elk gezondheidscentrum zo’n 10.000 cliënten moeten hebben. Omdat we daar actief naar streven, is huisvesting een belangrijk onderdeel van ons primaire proces.”

Opties

Is het nodig een zorgcentrum te verhuizen, bijvoorbeeld om de gewenste schaal tot stand te brengen, dan zijn de opties relatief beperkt. “Wil je geen cliënten verliezen, dan moet je binnen een straal van 1 tot 2 kilometer blijven van de bestaande vestiging. Het is niet eenvoudig om op zo’n korte afstand een geschikte huisvesting te vinden.”

Zorgpunt werkt niet samen met een vaste huisvestingspartner. “Omdat goede locaties moeilijk te vinden zijn, kun je partijen niet op voorhand uitsluiten.” Wel overweegt directeur Hoop een samenwerking aan te gaan met een vaste belegger. “Om een huisartsenpraktijk over te nemen, moeten we soms ook het vastgoed kopen. Een vaste financiële partij is dan wel zo handig.”

Hoops idee van een vastgoedbelegger die zich specialiseert in de huisvesting van eerstelijnszorg spreekt Ellen Olde Bijvank van adviesbureau Quintis wel aan.

“Je bouwt als vastgoedpartij specialistische kennis en ervaring op, waardoor de kwaliteit van de huisvesting een hoog niveau krijgt.” Lokale partijen, zo benadrukt Olde Bijvank, realiseren of beheren meestal slechts één gezondheidscentrum. Hierdoor worden steeds weer opnieuw dezelfde beginnersfouten gemaakt.

Met het commercieel exploiteren van een zorgcentrum is volgens Olde Bijvank echter relatief weinig praktijkervaring opgedaan. “Het is van cruciaal belang dat de zorgpartij zijn processen goed op orde heeft. Is dat niet zo, dan lopen cliënten of behandelaars weg en wordt het erg moeilijk de eerstelijnshuisvesting nog rendabel te krijgen.”

Directeur Hoop van Zorgpunt heeft naar eigen zeggen zijn zaakjes wel op orde. “Menzis heeft de werkwijze van Zorgpunt enkele jaren uitgeprobeerd in Groningen. Daar bleek onze aanpak met behoud van kwaliteit tot een besparing te leiden van 250 euro per cliënt per jaar.”

Reageer op dit artikel