nieuws

Markt behoeft ruimtelijke visie

bouwbreed Premium

Juist nu heeft Nederland een goede ruimtelijke ordening op nationaal niveau nodig. Met visie en natuurlijk gezag. De kernopgave is een concurrerende en duurzame economie mogelijk te maken. En dat vraagt een krachtige ruimtelijke visie en regie. Maar hoe, wie en waar? De ruimtelijke ordening lijkt wel vergeten en vergeven.

Juist nu heeft Nederland een goede ruimtelijke ordening op nationaal niveau nodig. Met visie en natuurlijk gezag. De kernopgave is een concurrerende en duurzame economie mogelijk te maken. En dat vraagt een krachtige ruimtelijke visie en regie. Maar hoe, wie en waar? De ruimtelijke ordening lijkt wel vergeten en vergeven.

Dat het ministerie van VROM inmiddels is opgesplitst moge duidelijk zijn. Maar wat de consequenties voor het ruimtelijk beleid zijn allerminst. Als rijkstaak is het ongemerkt vrijwel geheel verdampt. De provincies zijn verantwoordelijk voor het merendeel van de ruimtelijke erfenis; de rest huist inmiddels op een zolderkamer in het nieuw departement van Infrastructuur en Milieu. Het is hoogst onverstandig de nationale ruimtelijke ordening zo weg te stoppen. Want daarmee verspeel je ook de regie om een internationaal wervend, duurzaam milieu te scheppen en te onderhouden. Juist nu komt het erop aan daartoe voorwaarden te scheppen, uitvoering te garanderen en flexibel te schakelen met private en publieke partners.

Verleidelijk

Het is verleidelijk terug te grijpen naar de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Toen speelde ruimtelijke ordening een dominante rol bij de inrichting van ons land. Woningbouw, infrastructuur en bedrijvigheid waren daarbij belangrijke opgaven. Het begrip ‘gebundelde deconcentratie’ was leidend. De grootste zorg was toen dat Nederland te vol zou raken met twintig miljoen inwoners. In de zeventiger jaren werd ons land welvarend. De ruimtebehoefte nam sterk toe en burgers stelden steeds meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Natuur en milieu werden belangrijker in de beleidsmatige afwegingen. Geleidelijk identificeerde het ruimtelijk beleid zich vooral met die groene belangen, terwijl economische belangen ondergewaardeerd werden. Zo werd voor veel bestuurders en ondernemers ruimtelijke ordening steeds meer een beperkende en vertragende factor, mede door het bureaucratische en procedurele karakter van het beleid. De opkomst van inspraak en van het maken van bezwaar maakten het er niet makkelijker op. Er kwamen wetten die burgers en belangenorganisaties in een sterkere positie plaatsten. Daar werd in toenemende mate gebruik van gemaakt. Plannen waren niet langer onaantastbaar of vanzelfsprekend. De geest was uit de fles: burger en bestuur stonden op gelijke voet. Die maatschappelijke winst had echter ook een schaduwkant: beroepsprocedures en alle andere procedurele eisen op ruimtelijk- en milieugebied maakten realisatie van projecten steeds moeilijker. Er werd geklaagd over stroperigheid. Ruimtelijke ordening (vaak in één adem genoemd met milieubeleid) kreeg mede daardoor een negatief imago. Niet altijd terecht: bestuurders konden zo, wijzend naar langdurige en ondoorgrondelijke procedures en oneindige beroepszaken, makkelijk hun eigen onvermogen maskeren. Maar het slechte beeld was er en ging niet meer weg. Ruimtelijke ordening (of ontwikkeling) was een hindermacht geworden, terwijl het juist moet gaan om inspireren, vernieuwen, aanbieden en stimuleren. Vooral de laatste jaren is veel gedaan om aan procedurele klachten tegemoet te komen. Er kwamen nieuwe regels om sneller en flexibeler te kunnen handelen, om ruimtelijk en milieubeleid beter te koppelen, om één loket te maken waar burger of bedrijven een vergunning kan aanvragen of om experimenten mogelijk te maken. Al die wetten bij elkaar vormen intussen nog steeds een juridische jungle, waarbij ook Europese regels en richtlijnen een rol spelen. Nog maar weinigen zijn in staat het geheel van de regelingen te doorzien. Het zou alleen al daarom verstandig zijn om het juridische stelsel van de grond af opnieuw op te bouwen. Maar de beleidsinhoud staat centraal. En ook de kritiek daarop: hoe moet ons land duurzaam ingericht worden? Er zijn daarover in de loop der jaren vijf nationale nota’s verschenen. Elke nota gaf antwoord op de vraagstukken van die periode. De laatste jaren leek de behoefte aan nationale ruimtelijke ordening af te nemen. De markt wist het toch beter. Ambtenaren bleken nogal eens economische belangen traag te onderkennen en ruimtelijke beleid werd vooral papierenbeleid, dat geïsoleerd van de maatschappelijke en economische werkelijkheid min of meer autonoom ontstond. Toch heeft de markt wel degelijk behoefte aan duidelijkheid en zekerheid. Alleen dan kunnen bedrijven immers voortvarend investeren en plannen.

Noodzakelijk

Lange termijnbeleid is trouwens ook voor de inpassing van overheidsinvesteringen (infrastructuur, water, energie) noodzakelijk.

De centrale vraag voor de ruimtelijke ordening op dit moment moet zijn: hoe verdient Nederland in de toekomst zijn geld en wat is daarvoor de beste inrichting? De economische groei vindt vooral plaats in de Randstad. Op die ruimtelijke ontwikkeling moet de rijksoverheid zich richten. Het gaat primair om een goed leef- en investeringsklimaat. Anders willen bedrijven en hun medewerkers hier niet komen of blijven. Buiten de Randstad spelen intussen heel andere problemen: de bevolkingsgroei zakt daar naar nul en in sommige gebieden is zelfs sprake van krimp. Hoe daar het beste op kan worden gereageerd, is vooral een zaak van lokaal en provinciaal bestuur. De rijksoverheid kan daarbij slechts faciliteren. Hoewel de urgentie voor ruimtelijke visie en regie hier en daar erkend wordt is het (nog lang) niet duidelijk wie uiteindelijk het werk gaat doen. Die bestuurlijke stagnatie is juist in een periode van economisch zwaar tij onverantwoordelijk.

Reageer op dit artikel