nieuws

(On)gelijke gevallen (on)gelijk behandeld

bouwbreed

Gelijke gevallen dienen gelijk worden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel behoort tot een van de fundamentele rechtsbeginselen en is vastgelegd in art. 1 van de Grondwet. Deze bepaling is toegespitst op het verbod van discriminatie, maar is ook van toepassing op het door de overheid nemen van individuele, concrete beslissingen.

Er wordt voor de rechter regelmatig een beroep op het gelijkheidsbeginsel
gedaan, echter zelden met succes. Het probleem met een beroep hierop is dat twee
gevallen eigenlijk nooit exact gelijk zijn. Juist de (kleine) verschillen tussen
vergelijkbare gevallen zijn voor de te nemen beschikking (zoals een
vergunningverlening) zo relevant dat de beschikkingen niet gelijk uitvallen.
Bedacht moet worden dat uit het gelijkheidsbeginsel ook voortvloeit dat
ongelijke gevallen ongelijk behandeld dienen te worden in de mate waarin ze
verschillen. Ter illustratie de hier te bespreken zaak ABRvS 9 juni 2010,
zaaknr. 200909226/1/H1. Het college van B&W (hierna het college) weigerde
onder vrijstelling van het bestemmingsplan een lichte bouwvergunning te verlenen
voor het oprichten van een hobbyruimte/kantoor en berging. De aanvrager komt
uiteindelijk terecht bij de afdeling en voert aan dat het college in
vergelijkbare gevallen wel medewerking aan bouwplannen heeft verleend en hij er
daarom op mocht vertrouwen dat dat in zijn geval ook zou gebeuren. Er wordt
m.a.w. een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel:
de aanvrager had er volgens hem op mogen vertrouwen dat het college zijn geval
op dezelfde wijze zou behandelen als in andere vergelijkbare gevallen. De
Afdeling moet beoordelen of in dit geval inderdaad sprake is van vergelijkbare
gevallen. De Afdeling is van mening dat dit niet het geval is. Ten eerste is
voor de door de aanvrager ter vergelijking aangewezen bouwwerken geen
vrijstelling verleend zoals dat hier wel het geval is. En voor zover de
aanvrager heeft verwezen naar een gebouwde garage elders in de straat wordt
overwogen dat het college in dat geval bouwvergunning heeft verleend, omdat dat
bouwplan niet in strijd was met het bestemmingsplan en er ook geen andere grond
was om die te weigeren. De aanvrager heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat
het college hem anders heeft behandeld dan anderen in vergelijkbare gevallen.
Ook is door vergunningverlening in de door hem genoemde gevallen niet het
gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat het college in een geval als dit (met
vrijstelling van het bestemmingsplan) ook bouwvergunning zou verlenen. Er is
duidelijk geen sprake van gelijke gevallen en het vertrouwensbeginsel is niet
geschonden door de bouwvergunning te weigeren. Gesteld kan worden dat het
college juist in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel heeft beslist nu
het gelijkheidsbeginsel evenzeer eist dat ongelijke gevallen ongelijk moeten
worden behandeld.

Wetenschappelijk onderzoeksmedewerker Instituut voor Bouwrecht.

Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en
regelgeving zie ook de website van het Instituut voor Bouwrecht.
www.ibr.nl/actueel.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels