nieuws

Houd stedenbeleid met wijkaanpak in één hand

bouwbreed

De stedelijke problematiek wordt weliswaar genoemd in het regeerakkoord, maar de politieke en instrumentele aandacht voor de steden is teleurstellend, menen Oedzge Atzema en Robert Coops. Vierde en laatste deel uit een serie.

Aandacht en prioriteit door de rijksoverheid voor de achterstandswijken is juist nu geboden. Gezien de oplopende problemen is de vraag relevant: wie doet wat en waarom? De betrokkenheid van het Rijk met de voorkant van de stad, met alle internationale implicaties van dien, is onvermijdelijk. Maar, willen Oedzge Atzema en Robbert Coops weten, hoe zit het met de achterkant van de stad?
We leven in een welvarend land, maar dat kent stadswijken met stevige en ongewenste concentraties van maatschappelijke problemen. De veertig – eufemistisch benoemde – kracht- of prachtwijken vormen het topje van een ijsberg. Problemen in dergelijke wijken blijven groot en complex, ondanks de optimistische toonzetting van het recente trendonderzoek van weekblad Elsevier. Zowel nieuwe als bestaande problemen zijn de blijvende zorg van de rijksoverheid. Of zouden dat moeten zijn.
In de prachtwijken bestaan immers grote tegenstellingen tussen ‘insiders’ en ‘outsiders’, ook op de arbeidsmarkt en woningmarkt. Veel bewoners zijn er werkloos of staan buiten de arbeidsmarkt. Ze zijn vaak aangewezen op uitkeringen en publieke voorzieningen.

Risicogroep

Deze risicogroep neemt toe, niet alleen vanwege de huidige crisis, de oorzaken zijn vooral structureel. Ook buiten deze wijken vrezen mensen in de middenklasse, vaak middelbaar geschoold en werkend in steeds langere deeltijd, steeds meer voor het behoud van hun baan. Juist deze werkgelegenheid verschuift naar de BRIC-landen of wordt hier gedaan door buitenlanders. De bouw is een goed – of misschien juist wel slecht – voorbeeld van beide ontwikkelingen. Ook dit vraagt om een stedenbrede aanpak.
De maatschappelijke tegenstellingen in steden worden niet vanzelf minder. Daarbij gaat het niet alleen om de onderklasse of de middenklasse, maar ook om de bovenklasse. Robert Reich, minister onder Bill Clinton, constateerde in de New York Timesdat rijken een veel te klein deel van hun inkomen consumeren en dat dan ook nog eens doen in het buitenland. Hij pleitte voor een overheidsbeleid dat meer gericht is op de spreiding van de welvaart. Dat is volgens hem de werkelijke les van de vorige Great Depression.
De economische strijd om banen en de verdeling van inkomens zou wel eens veel beslissender kunnen zijn voor de toekomstige maatschappelijke tegenstellingen dan alle gedoe over ‘multiculti’ en moslims. Dat geldt ook voor ons land. Of, Bertold Brecht citerend: “Erst kommt das Fressen, dann die Moral”. Hoewel een brede aanpak van maatschappelijke tegenstellingen geboden is, stapelen de problemen zich in de prachtwijken op.

Verantwoordelijk

Naast werkloosheid is het percentage vroegtijdige schoolverlaters er twee keer zo hoog, de babysterfte tot vier keer zo hoog en de beleving van veiligheid er vele malen slechter dan elders in ons land.
Uiteraard blijven gemeenten primair verantwoordelijk voor een gerichte aanpak, maar onduidelijk is of en in hoeverre de daarover gemaakte meerjarenafspraken tussen gemeenten en rijksoverheid, bewoners en maatschappelijke organisaties aansluiten bij het streven naar decentralisatie en deconcentratie van dit kabinet.
Ook de passage over de grotere bevoegdheden van provincies en gemeenten op het terrein van het ruimtelijk beleid past in deze trend. Maar gelijktijdig lijkt het erop alsof het nieuwe kabinet nog in een ontkenningsfase zit; de term ‘stad’ komt maar drie keer voor in het regeerakkoord: Lelystad, Randstad en in stadium. Een magere score!
De nieuwe regering lijkt zich er gemakkelijk vanaf te maken. De coördinatieverantwoordelijkheid op rijksniveau voor het (grote) stedenbeleid lag tot nu toe bij de minister van VROM (WWI), maar dat is inmiddels verleden tijd. De versnippering van dit beleidsveld over verschillende departementen is veelzeggend. Niet alleen verdwijnt het ministerie als bestuurlijke eenheid en als coördinerend aanspreekpunt, maar daardoor verdwijnt ook veel ambtelijke kennis en ervaring over steden op rijksniveau.
Het blijft van belang dat de verantwoordelijkheid voor het (grote) stedenbeleid en dus ook voor de wijkaanpak gekoppeld blijft aan een ministerie dat in zijn portefeuille de taken wonen en ruimtelijke ordening krijgt.

Sturen

In een leefbare en gezonde economie, die mensen niet bij voorbaat uitsluit en aan de kant zet, sturen programma’s voor wonen mede de ontwikkeling van steden. Ruimtelijke ordening geeft grenzen en perspectieven voor deze ontwikkeling, evenals de koppeling naar infrastructuur en groen. Bouwers, ontwikkelaars en woningcorporaties vervullen daarbij een sleutelrol.
Nu de portefeuilles wonen, ruimtelijke ordening en stedelijke ontwikkeling zijn versnipperd of gedecentraliseerd verdwijnt dat noodzakelijke aanspreekpunt op rijksniveau. Het ministerie van VROM en dat van WWI zijn opgegaan in andere departementen. Daardoor zal van een consistente strategie voor steden geen sprake zijn. Dat is nogal een trendbreuk. Maar het is vooral een uiterst risicovolle koers.
Oedzge Atzema is hoogleraar economische geografie aan de Universiteit van Utrecht
Robbert Coops is senior strateeg bij Schuttelaar & Partners (rcoops@schuttelaar.nl), Den Haag
Dit is het vierde en laatste deel uit een serie over de stedelijke problematiek. De eerste drie delen zijn te lezen op
www.cobouw.nl

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels