nieuws

Kille pleinen kunnen warmer

bouwbreed Premium

Kille pleinen kunnen warmer

Rotterdammers zullen niet opkijken van de foto op het omslag van Sanda Lenzholzers proefschrift ‘Designing Atmospheres’.

Het beeld is maar al te herkenbaar. Drie meiden haasten zich met gekromde rug
over het winderige Schouwburgplein. Dat plein staat in de Maasstad bekend als
een kille, onpersoonlijke plek die je zelfs bij mooi weer liever links laat
liggen. Het is een manco dat opgaat voor meer Nederlandse pleinen. Volgens
landschapsarchitecte Lenzholzer is er nog een wereld te winnen. In haar
proefschrift legt ze daartoe een betrekkelijk onbekend gebied open: dat van het
stadsklimaat. Specifieker gezegd: zij heeft onderzoek gedaan naar de menselijke
beleving van het micro-metereologisch klimaat in de openbare ruimte. In
Nederland wordt nog nauwelijks nagedacht over de vraag of zaken als
architectuur, bouwvolume en materiaal- en kleurgebruik van invloed zijn op het
microklimaat van een bepaalde plek en op de manier waarop mensen die plek
beleven. Terwijl er in landen als Duitsland, Japan, Engeland en Zweden al volop
onderzoek naar wordt gedaan, moet in Nederland het besef nog doorbreken dat
dergelijke omstandigheden vaak van cruciaal belang zijn. Lenzholzer stond daar
tot zes jaar geleden zelf ook niet bij stil. In hoeverre de bebouwing en
inrichting van een plein bepalend zijn voor de hoeveelheid zonlicht en schaduw
in de directe omgeving, en dat gebouwen soms onbedoeld voor negatieve invloeden
zorgen zoals voor tocht en windvlagen, begreep zij pas ten volle na de
herinrichting van het Canadaplein in Alkmaar. Lenzholzer werkte als
projectleider mee aan de herinrichting van dit plein, waar zich problemen met
wind voordeden.

Schermen

Aanvankelijk waren alle partijen – opdrachtgever, ontwerper, gebruikers –
enthousiast over de nieuwe omgeving rond het Alkmaarse stadstheater. “Maar al na
het eerste seizoen kwamen er klachten over wind en tocht. Om de klachten te
verhelpen heb ik windschermen ontworpen. Toen ik later nog eens ging kijken,
waren er nog veel meer schermen bijgeplaatst. Daarmee had ons concept voor het
plein eigenlijk zijn waarde verloren. Dat heeft me aan het denken gezet.” Een
volgende stap in haar bewustwording was het boek ‘Atmosphären’ van de Duitse
filosoof Gernot Böhme. Diens denkbeelden brachten Lenzholzer ertoe respect voor
het stedelijk microklimaat tot haar persoonlijke missie te maken. Een zwaar
onderbelicht kennisgebied, merkte ze als ze het onderwerp bij studenten en
collega-docenten ter sprake bracht. Met haar proefschrift hoopt ze de basis te
leggen voor meer begrip. Lenzholzer deed onderzoek op drie pleinen met drie
verschillende functies: het Spuiplein in Den Haag (evenementenplein), de Grote
Markt in Groningen (historisch marktplein) en Neckerspoel in Eindhoven
(busstation). Ze ondervroeg vele honderden bezoekers naar hun persoonlijke
beleving van de omgeving en liet hen ‘mentale kaarten’ maken van de plekken die
zij (te) winderig, (te) zonnig en (te) koud vonden of waar zij het microklimaat
juist positief beoordeelden. Deze subjectieve ervaringen vulde zij aan met
objectieve gegevens over onder andere luchttemperatuur, zonneschijn,
luchtvochtigheid en windsnelheid, die zij vergaarde met behulp van van de
universiteit van Kassel geleende meetapparatuur. Het onderzoek leverde een
onthutsend beeld op. Veel bezoekers bleken de omgeving te ervaren als een soort
woestijn. Hun commentaren: te groot, te leeg, te onbeschut. Vooral het Spuiplein
en de Grote Markt kwamen er bekaaid vanaf. Lenzholzer: “Beide pleinen boden in
de ogen van het publiek onvoldoende zitmogelijkheden, ze werden te wijds
gevonden en het Spuiplein bovendien ontzettend kil. Van gebouwen rond het
Spuiplein vonden veel mensen de gebruikte materialen te hard en te koud. Het
stadhuis vonden ze te wit en te glad, van het Mercure-hotel waren de tegels te
blauw en te koud. Het voornaamste bezwaar tegen de Grote Markt in Groningen was
de leegte. Ik heb de gemeente daar attent op gemaakt. Hun antwoord was: we
kunnen er niets neerzetten, er moet ruimte blijven voor de weekmarkt en de
kermis.”

Rigide

Een rigide reactie, vindt ze. Ze verwijst naar onder andere de Oude Markt in
Enschede, het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht en het Lange Voorhout in Den
Haag, allemaal voorbeelden van pleinen die door het publiek wél worden
gewaardeerd, terwijl ook daar ruimte is voor evenementen. “Maar er is tevens
volop plek voor bomen en zithoekjes. Op zulke pleinen kan het publiek keuzes
maken. Er is plaats voor ouderen die graag in het zonnetje zitten maar er zijn
ook hoekjes voor jongeren die het liever wat frisser willen. Op een strak en
kaal stenen plein heb je niets te kiezen, daar ben je uitgeleverd aan een
onbarmhartige stedelijke omgeving.” Veel pleinen, zegt Lenzholzer, worden in de
eerste plaats ontworpen om de bijzondere architectuur van de aangrenzende
gebouwen goed te doen uitkomen. De vraag of het publiek zich er prettig voelt,
wordt te weinig gesteld. Tegen die mentaliteit komt zij in het geweer. Ze
bepleit dat er bij het ontwerpen van pleinen meer aandacht komt voor het
microklimaat. Middelen genoeg om dat wat strakker te regisseren: “Je kunt eisen
stellen in de welstandsvoorschriften of het beeldkwaliteitsplan aanpassen. Wat
het juiste klimaat is, kun je het publiek vragen. Het is mij opgevallen dat
mensen in een stad daar heel precieze informatie over kunnen geven. Daarnaast
heb je nog allerlei technische hulpmiddelen om de effecten van een herinrichting
of een nieuw ontwerp op het klimaat te berekenen. Je kunt windtunnels gebruiken,
windsimulaties laten maken en tekenprogramma’s die licht en schaduw simuleren.
Er zijn allerlei manieren. Gewoon een kwestie van je hersens gebruiken.”

Geslaagd

Maar het belangrijkste is, besluit Lenzholzer, dat rekening houden met het
microklimaat niet wordt gezien als een belemmering, maar juist als een
uitdaging. “Je werk is pas geslaagd als mensen er plezier aan beleven. Hoe kun
je als architect of opdrachtgever nou trots zijn op een plein dat mensen mijden
omdat ze zich er niet prettig voelen?”

Sanda Lenzholzer

Sanda Lenzholzer (42) studeerde landschapsarchitectuur in Hanover en behaalde
in Londen de master Huisvesting en urbanisatie. In Duitsland werkte zij onder
andere als landschapsarchitect in Duisburg en Kassel, in Nederland voor onder
andere Buro Sant en Co en Mecanoo Architecten. Sinds 2004 is zij docent
landschapsarchitectuur aan de Universiteit Wageningen.

Reageer op dit artikel