nieuws

De coup van Bert Keijts als openhartig inkijkje

bouwbreed Premium

De coup van Bert Keijts als openhartig inkijkje

De afslanking van Rijkswaterstaat tussen 2004 en 2008 verliep chaotisch. Een omstreden boek over die periode schetst een openhartig beeld van crisis, inboeten van identiteit en te veel ‘markt tenzij’. Rijkswaterstaat probeerde publicatie tegen te houden, maar het is vanaf dinsdag te koop.

We zitten in Ooy, aan de dijk langs de Waal. Metze gaat in het bruin gekleed
en heeft zijn hoed afgezet. Hij gaat ervoor zitten en benadrukt dat het
interview alleen over het boek mag gaan. Formeel is het conflict over de
publicatie van het boek beëindigd, maar Rijkswaterstaat heeft schriftelijke
afspraken als stok achter de deur. “Het ligt allemaal erg gevoelig.” De auteur
is de ophef rond zijn boek zat, maar troost zich met de gedachte dat publiciteit
goed is voor de verkoopcijfers en de tijd de scherpe kantjes verzacht.

Metze moet op eieren lopen om iets te zeggen over de rechtszaak en de grieven
van Bert Keijts die met succes een verbod op publicatie afdwong. “Geen rode
draad”, “te somber” en te veel focus op “afwijkende meningen” schreef dehoogste
baas aan Metze die oprecht en met frisse blik een relaas schetst van een
ingrijpende reorganisatie. Kamervragen en veel publiciteit deden de dienst toch
zwichten en maandag wordt het boek met drie kwart jaar vertraging alsnog
gepresenteerd.

Het boek leest als een trein en beschrijft de nauwkeurig voorbereide coup van
Bert Keijts met rugdekking van de toenmalige top van het ministerie in de vorm
van secretaris-generaal Geert van Maanen en minister Karla Peijs. “De
bouwfraude, de onderuitputting en de budgetoverschrijdingen bij de megaprojecten
voerden de druk op”, schetst Metze de voorfase. De druppel om door te pakken
kwam van een kersverse premier Balkenende die suggereerde om VROM samen te
voegen met Verkeer en Waterstaat. Rijkswaterstaat ligt aan alle kanten onder
vuur: te duur, te log en te veel ingenieurs. Te eigenwijs en machtig ook. Een
staat binnen een staat en daarbinnen opereren de zeventien HID (Hoofd Ingenieur
Directeur) als directe afgezanten van de minister in de regio weer over hun
eigen koninkrijkjes. Metze zet ze consequent neer als ‘de heren zeventien’. Dat
machtsblok werd afgebroken met het driemanschap Bert Keijts, Ab Lambarts en Luc
Kohsiek.

Dit driemanschap zou orde op zaken gaan stellen, de macht inperken en de
organisatie afslanken. ‘Generaal’ Lambarts beperkte de tekenbevoegdheid van de
HID’s tot 5 miljoen euro. Ze moesten hun hoge hoeden inleveren, maar mochten
formeel hun pet behouden, concludeerden ze zelf. Openlijk volgde weinig
weerstand: uiteindelijk wisten ze de macht te heroveren met een twintigkoppig
directoraat. “Keijts was uiteindelijk ook meer van het polderen, dan van het
doorpakken”, concludeert Metze. De leegloop van Rijkswaterstaat verliep sneller
dan gedacht. Metze: “De arbeidsmarkt was krap en het bedrijfsleven nam graag de
goede mensen over. Dat resulteerde in ‘no time’ in een tekort van honderden
projectleiders. Volgens mij is niet goed nagedacht over de gevolgen van die
snelle krimp.” Metze relativeert dat daar ook bij andere organisaties zelden
goed over wordt nagedacht. Hij dook eerder in reorganisatieprocessen van
Philips, CDA en het bankwezen. “Veel besluiten van topmanagers zijn eerder
ingegeven door emotie dan door ratio.”

Groeiscenario

Metze vindt het achteraf nog steeds onbegrijpelijk dat Rijkswaterstaat niet
heeft gekozen voor het groeiscenario naar 15000 mensen dat eind 2003 op tafel
lag, waarbij ProRail zou worden ingelijfd. “Het is een logische gedachte om
wegbeheer en spoorbeheer onder één dak te brengen. Daar zijn veel overeenkomsten
en had misschien veel gedonder bij spoorprojecten als de Betuweroute en hsl-zuid
kunnen voorkomen.” Ook de minimalistische varianten met een omvang van 1000 of
5000 werknemers met alleen nog wat kerntaken zijn nooit serieus overwogen.
Meteen kwam de variant met 9000 werknemers bovendrijven, waarbij alle bestaande
structuren van dienstkringen, rayons en projectorganisaties overeind konden
blijven. Schoon genoeg heeft Marcel Metze van alle ‘gedoe’ rond de publicatie
van zijn boek ‘Veranderend Getij’. Hij maakte als dijkbewoner langs de Waal in
de jaren negentig kennis met Rijkswaterstaat als beschermer tegen hoog water.
Hij kreeg de kans om tussen 2006 en 2008 in alle interne archieven te duiken en
met betrokken personen te praten. Rijkswaterstaat kocht het auteursrecht alvast
af voor 245.000 euro, waarvan Metze een redactieteam opzette en zelf 120.000
euro reserveerde als honorarium voor tweeënhalf jaar werk. “Een geweldige kans
op een openhartig inkijkje.” Het gedonder begon pas eind 2008 toen Metze de
eerste teksten opstuurde en negatieve reacties terugkreeg. Zelf staat hij
volledig achter zijn boek “Ik beschrijf wat er is gebeurd, waar het stroef
verliep, waar de twijfel zit en de weerstand. Een proces dat gepaard gaat met
elke reorganisatie. Daarom maak ik de vergelijking met Philips en Jan Timmer. In
het bedrijfsleven hakken bestuurders eerst de knoop door en zoeken dan
consensus. Bij ambtenaren gaat het meestal andersom. Bert Keijts leek na 100
dagen een slak vergeleken met de voortvarendheid van Timmer, maar na duizend
dagen was die voorsprong weggeëbd en verliep bij beide organisaties de
reorganisatie even moeizaam.”

‘Markt tenzij’

Hoe de bouwsector in ‘markt tenzij’ heeft ervaren, blijft onderbelicht in het
boek. Alleen Elco Brinkman geeft zijn mening. De voorman van Bouwend Nederland
beschrijft een beeld van identiteitsverlies van Rijkswaterstaat maar legt ook de
gevolgen bloot van het kennisverlies en de scheiding van beleid en uitvoering.
“Daar is het doorgeschoten. Verkeer en Waterstaat was Rijkswaterstaat minus de
luchtvaart en nog een paar kleine dingen. Nu is het een eindeloze hoeveelheid
directoraten en projectgroepen”, tekent Metze de citaten van Brinkman op. Het
boek zet de lezer aan tot nadenken over hoever een reorganisatie moet ingrijpen.
“Ik zou willen dat meer mensen zich realiseren wat marktwerking bij de overheid
betekent en dat een Tweede Kamer daar induikt en concludeert: zo ver mag die
marktwerking gaan en niet verder.” Het principe van markt tenzij is in de ogen
van Metze doorgeschoten. Heel veel kennis is weggevloeid en daarbij dringt de
vraag zich op wat de kerntaken zijn van een organisatie als Waterstaat en waar
de scheidslijn tussen markt en overheid moet liggen. Een onthutsende reportage
gaat over de aanbesteding van de Tweede Coentunnel. “Het contract steekt zo in
elkaar dat Rijkswaterstaat financieel profiteert als er files staan. Dan moet je
je toch achter de oren krabben?”

De hoofdrolspelers:

Reageer op dit artikel