nieuws

Boetebeding valkuil bij overeenkomst

bouwbreed

Rechters ontlenen hun matigingsbevoegdheid aan artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarin is bepaald dat rechters een boete kunnen matigen als “de billijkheid dit klaarblijkelijk eist”. Volgens de wetsgeschiedenis mogen rechters in het belang van de rechtszekerheid slechts in buitensporige gevallen van hun matigingsbevoegdheid gebruik maken.

Rechters ontlenen hun matigingsbevoegdheid aan artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarin is bepaald dat rechters een boete kunnen matigen als “de billijkheid dit klaarblijkelijk eist”. Volgens de wetsgeschiedenis mogen rechters in het belang van de rechtszekerheid slechts in buitensporige gevallen van hun matigingsbevoegdheid gebruik maken.
Een goed voorbeeld van zo’n buitensporige situatie is het Helder-arrest uit 1984 (HR 27 april 1984, NJ 1984, 679). De Hoge Raad oordeelde daarin dat een grond voor matiging aanwezig kan zijn als de boete in relatie tot de overtredingen zo ‘buitensporig’ is dat de eisen van de goede trouw eraan in de weg staan dat zij ten volle wordt opgevorderd. In het betreffende geval stonden naar oordeel van de Hoge Raad het verschuldigde boetebedrag van 50.000 gulden en de geleden schade, de waarde van vijf paar laarzen met een totale waarde van ongeveer 200 gulden, “in geen enkele verhouding” tot elkaar.

Nieuwe koers

In het arrest Monda/Hauer I (HR 13 februari 1998, NJ 1998, 725) zet de Hoge Raad de deur voor rechterlijke matiging echter open door te overwegen dat het onder bepaalde omstandigheden voor de hand ligt bij het beoordelen van de verschuldigde boete mede te betrekken de ernst van de tekortkoming waardoor de boete is verbeurd, en de (omvang van de) schade die daarbij is opgetreden.
In zijn arrest van 27 april 2007 (Bart Smit / Intrahof, HR 27 april 2007, NJ 2007, 262) komt de Hoge Raad nu weer op zijn schreden terug. Zij oordeelt dat de maatstaf uit artikel 6:94 BW, dat voor matiging slechts reden kan zijn als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, met zich meebrengt dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.
De rechter zal daarbij volgens de Hoge Raad niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijk geleden schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder deze wordt ingeroepen. Daarmee werpt de Hoge Raad een aantal extra barricades op om tot matiging over te gaan. In het betreffende arrest stond voor de Hoge Raad in elk geval vast dat de omstandigheden die door het Hof waren besproken, onvoldoende basis opleverden voor de verzochte matiging.

Terug bij af

De Hoge Raad lijkt daarmee weer terug te zijn bij het terughoudende standpunt uit het hiervoor genoemde Helder-arrest uit 1984. Een aardig voorbeeld van waartoe dit standpunt kan leiden, is een recente uitspraak van het Hof ‘s-Hertogenbosch (LJN BB1662). Daarin besliste het Hof dat de verkoper die meer dan een jaar lang verzuimde zijn woning aan een koper te leveren, het over zich had afgeroepen dat deze koper de boete van uiteindelijk 172.462,50 euro mocht verrekenen met de koopprijs van de woning van 157.500 euro.
De koper ontving daarmee de woning niet alleen gratis, maar kreeg per saldo ook nog eens 15.000 euro van de verkoper toe! Alle reden dus om goede nota te nemen van de boetebepalingen in uw koop- of aannemingsovereenkomst.

recht

In vrijwel alle koop- en aannemingsovereenkomsten komen boetebedingen voor. Niet zelden is de hoogte van de verschuldigde boete uit hoofde van deze bedingen, onderwerp van juridische geschillen. Daarbij bestaat nog wel eens de gedachte dat rechters een ruime bevoegdheid hebben deze boetes te matigen. De vraag is of dat zo is.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels