nieuws

Canon ruimtelijke ordening als les voor de toekomst

bouwbreed Premium

Woonwijken, polders, infrastructuur, invloedrijke personen en bestuursprocessen: ze kunnen allemaal in de canon. En iedereen mag ideeën aandragen.

Het verhaal van de Nederlandse ruimtelijke ordening

De canon ruimtelijke ordening moet lessen opleveren voor de toekomst. Veel is in de loop der jaren bedacht, met goede en soms ook minder gewenste gevolgen. Voor de beoogde lijst kan worden geput uit een rijk gevulde ruif: Nederland is tot op de laatste vierkante meter gemaakt door mensen.
“Ik denk dat je met een dertigtal markante iconen het verhaal van de ruimtelijke ordening kunt vertellen”, schat Willem Buunk van het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, afgekort Nirov. “Het is niet de bedoeling alleen maar op te scheppen”, voorziet hij het ontstaan van een genuanceerd beeld. “We willen laten zien hoe je de ruimtelijke ordening kunt laten werken. Telkens gaat het om de les die we ervan kunnen leren.”
Het wordt een heel ander soort canon dan de recent gepresenteerde ruimtelijke canon van Nederland van stedelijk adviseur Dries Drogendijk. Zijn doel was het karakter van Nederland te doorgronden aan de hand van ruimtelijke symbolen. Dat is meer een culturele exercitie. “Maar”, ziet Buunk, “enige overlap in de selectie van projecten is goed mogelijk.”
Op successen in de ruimtelijke ordening, zo is het idee, valt voort te borduren. En door de onderkenning van valkuilen herhaling van mislukkingen te voorkomen.
Over bijvoorbeeld de Bijlmer heeft iedereen de mond vol. Ooit was het zo mooi bedacht. En zeker hebben er ook mensen jarenlang met plezier gewoond. Maar toch. Buunk: “Je kunt je afvragen in hoeverre het idee ervoor vanaf het begin niet goed was en in hoeverre het aan de uitwerking ligt. Het mooiste is als je kunt uitleggen waar het precies is misgegaan.”

Tijdsgewricht

Het beeld dat overblijft is, zoals meestal, genuanceerd. “Bij de Bijlmer speelt het tijdsgewricht waarin het plan is gemaakt en uitgevoerd een grote rol”, wijst hij de maatschappelijke veranderingen in de jaren zestig en zeventig, tussen de presentatie van het plan en de oplevering. De individualisering deed zijn intrede en het vooruitgangsgeloof raakte beschadigd. Ook kreeg de Bijlmer heel snel te maken met een ander soort bewoning dan voorzien, door de instroom van grote aantallen Surinamers. “Verder valt op dat de wijk heel snel is gebouwd. De bouwer wilde zijn aantallen halen. Kans om in te spelen op veranderingen was er daardoor nog minder.”
Toch, zelfs uit zulke achterhaalde projecten blijkt veel inspiratie te halen. “Je kunt erop terugkijken en de vraag stellen: wat eraan is van waarde en wat moeten we voortaan anders doen.”
De Noordoostpolder vindt hij ook heel karakteristiek. “Niet omdat het een polder is. Wel omdat de hele inrichting zo totaal ontworpen is. De structuur is helemaal gemaakt voor de manier van leven destijds. Landarbeiders moesten lopend naar hun werk kunnen en iedereen moest met de fiets zijn boodschappen kunnen doen.” Nu zijn de dorpen te klein om voorzieningen in stand te houden en verplaatsen de bewoners zich per auto.
Interessant is de vraag of een inrichting afgestemd op de huidige manier van leven wel een aantrekkelijk ruimtelijk beeld oplevert. In stedelijke gebieden keert het model van de Noordoostpolder in aangepaste vorm terug. Eerst is er met de beste bedoelingen een vergaande functiescheiding doorgevoerd. Vieze fabrieken verdwenen uit de wijken, waar de arbeiders op loopafstand woonden. Nieuwe wijken werden eenzijdig ingericht op wonen. Autobezit was de oplossing om op andere bestemmingen te komen. Maar functiemenging is weer helemaal terug als ideaal voor een leefbare stad. Wonen met werk op loopafstand geldt als een ideaal.
In het buitengebied groeide onder meer het voormalig dorp Houten uit tot middelgrote stad. Het paste daarbij, op zichzelf al opvallend, door de jaren heen consequent hetzelfde beleid toe. Met een bijzonder resultaat. Buunk: “Hier zie je het markantste voorbeeld van een stedenbouwkundig ontwerp dat is gebaseerd op de fiets.” De meest directe verbindingen, de hoofdwegen, zijn in Houten fietsroutes. “Hiermee maakt Houten internationaal furore.”

Lobbygroepen

Rekening houden met alle belangen, in elk geval ernaar willen luisteren, kenmerkt het ruimtelijke ordeningsbeleid van Nederland. “Inspraak- en bezwaarprocedures, zorgvuldig afwegen van verschillende belangen: het is typisch voor dit beleidsterrein. Op andere is het overleg meer beperkt tot een klein aantal mensen, bijvoorbeeld van lobbygroepen”, zo weet Buunk.
De dus zo karakteristieke benadering kenmerkt ook de weg naar de canon. Tijdens een groot aantal bijeenkomsten over verschillende thema’s mag iedereen die dat wil ideeën aandragen en toelichten. En wie liever thuis blijft: het kan ook via internet: www.canonro.nl.
Buunk rekent op honderden ideeën. De selectie die daaruit later dit jaar wordt gemaakt, is het startsignaal voor de verdere ontwikkeling van de canon. Want de ideeënvorming over ruimte in Nederland houdt niet op. n

Reageer op dit artikel