nieuws

Huurliberalisatie is niet iets om bang voor te zijn

bouwbreed

Een onderwerp als huurliberalisatie ligt politiek gevoelig. Het wachten is op het moment dat de kogel door de kerk wordt gejaagd. De angst voor het vrijlaten van de huren is volgens Arie de Klerk ongegrond.

Met enige regelmaat wordt gepleit voor een herziening van het functioneren van de woningmarkt. De koopwoningmarkt en de huursector zijn steeds meer gescheiden markten geworden en van de weeromstuit ligt de werking van beide markten onder vuur. Bij de markt voor koopwoningen is er standaard de kritiek op de hypotheekrenteaftrek, maar tegelijk is er de meeste kritiek – begrijpelijkerwijs – op de werking van de markt voor huurwoningen. Begrijpelijk omdat de laatste nauw verweven is met inkomensbeleid en bescherming van zwakkeren.

Doorgesneden

Begin met het schrappen van het begrip sociale huurwoning. Dat begrip heeft sinds de financiële banden tussen Rijk en corporaties zijn doorgesneden zijn oorspronkelijke betekenis verloren en dient nu slechts nog voor gemeenten als schaamlap voor het voeren van een commercieel grondbeleid. Ten tweede voer een vorm van huurliberalisatie in, in die zin dat er een anker blijft voor de relatie prijs/kwaliteit. Bij dat laatste kan gedacht worden aan een systeem dat we kennen bij hotels: de kwaliteit wordt uitgedrukt in sterren en de prijs staat op de kamerdeur.
Tegen huurliberalisatie geldt als bezwaar dat de huren zullen stijgen, met als gevolg dat lagere inkomens in de knel komen en er tegelijk een groter beslag dreigt op de middelen voor huurtoeslag. Toch hoeft dat laatste geen pro-bleem te zijn, want die kunnen worden bekostigd uit de hogere belastingopbrengsten als gevolg van de stijging van de huurinkomsten van verhuurders.

Vrijheid

Bij de stedelijke vernieuwing zullen de aanvangshuren drastisch moeten worden verlaagd, tot het niveau van de vroegere huurgewenning. De kosten hier-van komen voor rekening van de woningcorporatie. Daar tegenover staat dat de woningcorporatie de vrijheid krijgt om bij leegkomen de huur op te trekken tot de markthuur. Het ‘bouwen voor de buurt’ wordt hierdoor nieuw leven in geblazen en tegelijk kan tegemoet worden gekomen aan het enigszins wankelmoedige PvdA-pleidooi om het middenkader voor de wijk te kunnen behouden. Voor de bouwwereld zal het effect van huurliberalisatie positief zijn. Ten eerste zal de besluitvorming bij projecten in de stedelijke vernieuwing sneller kunnen verlopen, aangezien deze niet meer belast wordt met discussies over de hoogte van de aanvangshuur. En daarbij zal de kwaliteit van nieuwe huurwoningen erdoor omhoog gaan, omdat tegenover de hogere aanvangshuren woningverhuurders meer kwaliteit zullen willen bieden.
De concurrentie op de woningmarkt zal toenemen. Niet alleen zullen corporaties onderling meer moeten gaan concurreren, ze zullen de strijd aan moeten met de traditionele commerciële verhuurders. Tegelijk zullen ze zich moeten richten op wat de koopwoning markt biedt, omdat wanneer de huren hoger worden met name middeninkomens hun heil zullen gaan zoeken op de markt voor koopwoningen.
Tenslotte kan de angst voor het vrijlaten van de huren wel eens ongegrond blijken. Door de toename van de concurrentie tussen verhuurders, met altijd op de achtergrond de mogelijkheid dat een woningzoekende naar een koopwoning uitwijkt, kan de gevreesde huurverhoging wel eens een stuk gematigder uitvallen dan door velen wordt gevreesd. Besturen is niet voor bange mensen, zou ik het PvdA-congres van a.s zaterdag willen geven.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels