nieuws

Anticyclisch aanbesteden

bouwbreed

Het is de droom van iedere opdrachtgever: aanbesteden met als uitkomst een lagere prijs dan zelf was geraamd. Nu is dat op zich geen kunst als je de zelf gemaakte begroting wat ruim opstelt, maar dat tel ik niet mee. Mij gaat het om de opdrachtgever die met grote regelmaat werk op de markt zet en zoekt naar een zo laag mogelijke prijs. Want gegeven de randvoorwaarden van kwaliteit, tijdstip van oplevering en garanties, is de laagste prijs natuurlijk het doel van de opdrachtgever. In een periode die zich door een voor de bouwers gunstige conjunctuur kenmerkt, kunnen opdrachtgevers voor verrassingen komen te staan. Meestal zal men de prijs slikken nadat door onderhandelingen en bezuinigingen er wat vanaf gegaan is. Soms vindt men het te gortig en wordt besloten het werk niet of voorlopig niet te laten uitvoeren. Dit laatste in afwachting van betere tijden: tegen de conjunctuur ingaan met een anticyclisch aanbestedingsbeleid. Betere tijden voor de opdrachtgever kenmerken zich op hun beurt door een krimpende bouwmarkt, werkhonger en prijsdruk. Dus de een zijn brood, de ander zijn dood. Maar hoe weet je – afgezien van de zekerheid dat expansie en krimp elkaar opvolgen – wanneer de periode met lagere prijzen is aangebroken. Wie kan de omslagpunten in de conjunctuur aangeven? En kan de uitvoering van het op te dragen werk wel zo lang wachten? Grote opdrachtgevers als Rijkswaterstaat en Pro Rail buigen zich al langere tijd over deze vragen. Ook de Rijksgebouwendienst tobt er op dit moment mee. Maar ook als een opdrachtgever met een wat geringere frequentie de markt betreedt kan een prijsverschil interessant zijn. De huidige economische ontwikkeling en de voorspelling van stagnerende groei kan de voorbode zijn van een periode, waarin de bouwmarkt eveneens naar een zekere ontspanning neigt. De meest recente prognoses voor de bouwproductie wijzen ook in die richting. Of het werkelijkheid wordt, weten we niet. Wat zal een opdrachtgever nu met deze kennis doen? Dat hangt van veel factoren af. Als met vreemd vermogen wordt geïnvesteerd, zal ook de rente in beschouwing worden genomen en dat kan een grote invloed hebben. Een rente van 6 in plaats van 5 procent is het equivalent van een bouwkostenstijging van 20 procent, althans voor de afgesproken renteperiode. Bij de Rijksoverheid en de door deze gefinancierde bedrijven wordt met budgetten gewerkt waarin de rente geen rol speelt. Dan heb je dus een overweging minder. Toch is het ook dan riskant om een project voorlopig niet op de markt te zetten, want je weet niet hoe lang je moet wachten en evenmin of het te behalen prijsvoordeel proportioneel is. Overigens is in het verleden meer dan eens door de Rijksoverheid geprobeerd een beleid op te zetten om als opdrachtgever anticyclisch op te treden. Niet alleen zou dit goed zijn voor de opdrachtgever, maar ook voor de bedrijfstak die op een meer evenwichtig verlopende bouwproductie zou kunnen rekenen. Het is er nooit van gekomen.

Het is de droom van iedere opdrachtgever: aanbesteden met als uitkomst een lagere prijs dan zelf was geraamd. Nu is dat op zich geen kunst als je de zelf gemaakte begroting wat ruim opstelt, maar dat tel ik niet mee. Mij gaat het om de opdrachtgever die met grote regelmaat werk op de markt zet en zoekt naar een zo laag mogelijke prijs. Want gegeven de randvoorwaarden van kwaliteit, tijdstip van oplevering en garanties, is de laagste prijs natuurlijk het doel van de opdrachtgever. In een periode die zich door een voor de bouwers gunstige conjunctuur kenmerkt, kunnen opdrachtgevers voor verrassingen komen te staan. Meestal zal men de prijs slikken nadat door onderhandelingen en bezuinigingen er wat vanaf gegaan is. Soms vindt men het te gortig en wordt besloten het werk niet of voorlopig niet te laten uitvoeren. Dit laatste in afwachting van betere tijden: tegen de conjunctuur ingaan met een anticyclisch aanbestedingsbeleid. Betere tijden voor de opdrachtgever kenmerken zich op hun beurt door een krimpende bouwmarkt, werkhonger en prijsdruk. Dus de een zijn brood, de ander zijn dood. Maar hoe weet je – afgezien van de zekerheid dat expansie en krimp elkaar opvolgen – wanneer de periode met lagere prijzen is aangebroken. Wie kan de omslagpunten in de conjunctuur aangeven? En kan de uitvoering van het op te dragen werk wel zo lang wachten? Grote opdrachtgevers als Rijkswaterstaat en Pro Rail buigen zich al langere tijd over deze vragen. Ook de Rijksgebouwendienst tobt er op dit moment mee. Maar ook als een opdrachtgever met een wat geringere frequentie de markt betreedt kan een prijsverschil interessant zijn. De huidige economische ontwikkeling en de voorspelling van stagnerende groei kan de voorbode zijn van een periode, waarin de bouwmarkt eveneens naar een zekere ontspanning neigt. De meest recente prognoses voor de bouwproductie wijzen ook in die richting. Of het werkelijkheid wordt, weten we niet. Wat zal een opdrachtgever nu met deze kennis doen? Dat hangt van veel factoren af. Als met vreemd vermogen wordt geïnvesteerd, zal ook de rente in beschouwing worden genomen en dat kan een grote invloed hebben. Een rente van 6 in plaats van 5 procent is het equivalent van een bouwkostenstijging van 20 procent, althans voor de afgesproken renteperiode. Bij de Rijksoverheid en de door deze gefinancierde bedrijven wordt met budgetten gewerkt waarin de rente geen rol speelt. Dan heb je dus een overweging minder. Toch is het ook dan riskant om een project voorlopig niet op de markt te zetten, want je weet niet hoe lang je moet wachten en evenmin of het te behalen prijsvoordeel proportioneel is. Overigens is in het verleden meer dan eens door de Rijksoverheid geprobeerd een beleid op te zetten om als opdrachtgever anticyclisch op te treden. Niet alleen zou dit goed zijn voor de opdrachtgever, maar ook voor de bedrijfstak die op een meer evenwichtig verlopende bouwproductie zou kunnen rekenen. Het is er nooit van gekomen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels