nieuws

Hoofdaannemers zijn mogelijk het prijsgevoel kwijt

bouwbreed

Voor het Rijksmuseum zou het volgens David Meijer zo kunnen zijn dat 134 miljoen een redelijk bedrag is, maar dat de markt daar 222 miljoen euro voor wil hebben. Gezien het feit dat er maar één aanbieder is, is dat bedrag dan ook meteen de juiste ‘prijs’. Alleen een andere kaper op de kust had daar eventueel wat aan kunnen doen.

Adri Buur en Sjoerd Meuleman laten in Cobouw(van respectievelijk 7 en 11 maart) doorschemeren meer vertrouwen te hebben in het rekenwerk van de aannemer dan dat van de adviseurs van opdrachtgever de Rijksgebouwendienst.
Buur stelt dat de aannemer het werk uit het verleden kent en daar zijn voordeel mee doet bij de prijsvorming. Die aannemer staat echter zeker op achterstand bij de adviseurs die al vanaf het begin bij het project betrokken zijn en zich verdiept hebben in oplossingsrichtingen, uitvoeringsvarianten en de bijbehorende risico’s. Bij een combinatie van een dergelijk ambitieus project met een uit het buitenland ingevlogen toparchitect zal het direct duidelijk zijn geworden dat er spanning staat op de prijs-prestatieverhouding.
Ik kan mij niet voorstellen dat daar willens en wetens de kop in het zand is gestoken als er sprake zou zijn geweest van overschrijdingen tijdens eerdere planfasen. Daarbij zal de kostenadviseur zeker zijn geselecteerd op kennis en kunde bij dit soort projecten (omvang, tempo, complexiteit).
Het suggereren dat de adviseurs niet dezelfde kennis/diepgang kunnen bereiken bij het opstellen van hun begroting als de aannemer is pure speculatie.
Ik kan mij tevens niet voorstellen dat partijen zich op verschillende feiten hebben gebaseerd.

Prestige

Ik constateer zelf bij een door ons begeleid renovatieproject dat er eerst een directieraming wordt gemaakt op een volledig besteksgereed pakket alvorens stukken ‘in de markt te zetten’. Van collega kostenadviseurs hoor ik bij complexe projecten dezelfde geluiden: in de huidige markt laten we niets aan het toeval over. Tot slot ben ik het met Buur eens dat het project goed is voor het prestige van de aannemer. Maar of dat niet ten nadele van de opdrachtgever uitpakt, is nog maar de vraag als de aannemer weet dat – en dat weet hij ongetwijfeld – er geen andere partijen meer in de race zijn. Het prestige blijft, maar de kans op een ‘goede prijs’ (voor de aannemer welteverstaan) neemt met sprongen toe; kortom, de opdrachtgever betaalt voor dat prestige.

Toonzetting

Het artikel van de ‘ex-calculator bij een middelgrote aannemer’ Meuleman heeft een vervelender toonzetting. De kostenadviseurs zijn onveranderlijk “cijferaars van de opdrachtgever” en niet in staat om zich te verplaatsen in het moeilijke werk van de aannemer. Dat is zeker niet het geval. De context van het project is van enorm belang als het gaat om het ‘invullen’ van de juiste prijzen en goede kostenadviseurs kunnen dat juist veel beter, want zij besteden veel meer tijd aan projectanalyse en nacalculatie van projecten dan de meeste aannemers doen. Kostenadviseurs kunnen wel minder gemakkelijk beschikken over offertes, maar daarom fileren ze inschrijfbegrotingen van aannemers tot op het bot.
Bij een werk als het Rijksmuseum kan ik mij overigens wel voorstellen dat een aantal zaken niet uit historische projecten of analyses te halen valt. De aannemer is dan wel in het voordeel met zijn legioen aan gespecialiseerde onderaannemers, op voorwaarde dat hij ook in staat is om het prijsniveau van die aanbiedingen te controleren. Bijna dagelijks krijg ik signalen dat (zelfs) aannemers het niet meer weten. Zie bijvoorbeeld Cobouw, bij de uitslagen van aanbestedingen. Ik neem tenminste aan dat nummer 1 en nummer 4 beiden even serieus hun werk hebben gedaan en dat nummer 4 er ‘helemaal niets van snapt’ dat nummer 1 het voor dat geld kan maken.
Misschien is de aannemer van het Rijksmuseum wel een ‘nummer 4’ maar door het wegvallen van nummers 1 tot en met 3 houdt elke vergelijking op…

Beoordelen

Ik ben bang dat hoofdaannemers hun prijsgevoel kwijt zijn. Los van de beschikbaarheid van onderaannemers denk ik dat hoofdaannemers niet meer in staat zijn prijzen/offertes te beoordelen.
80 Procent van de omzet komt immers van onderaannemers – aldus Meuleman, en ik ben dat met hem eens. Kostenadviseurs varen op kennis van geanalyseerde projecten, aannemers vragen een paar offertes aan en daarmee is nogal eens de kous af.

Verliezers

De overschrijding van het budget van het Rijksmuseum door de laatst overgebleven aannemer maakt de tongen los. Als het gaat om de voorspelbaarheid van aanbestedingen – op basis van een door de opdrachtgever op te stellen directiebegroting – dan is dat zeker terecht. Zoals prof.drs. A.Buur in zijn artikel van 7 maart (nummer 47) al stelt: er zijn voorlopig alleen verliezers, en dus wordt er gezocht naar verklaringen. En zonder de begroting van de aannemer naast de begroting van de kostenadviseur van het project te kunnen leggen, blijft dat steken op algemeenheden en hypotheses.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels