nieuws

Drie nieuwe kansen voor Rijksmuseum

bouwbreed

Al sinds de parlementaire enquête in 2002 proberen overheid en bouwbedrijfsleven hun onderlinge relatie te verbeteren. Daar is een Regieraad Bouw voor in het leven geroepen, die opereert onder de verantwoordelijkheid van maar liefst drie ministers: EZ, VROM en Verkeer en Waterstaat. Ook is er een innovatieprogramma PSIBouw. Dat staat voor Proces- en Systeeminnovatie in de Bouw: grotendeels gefinancierd door het bouwbedrijfsleven zelf en voor een deel ook door overheid. Al sinds hun oprichting pleiten beide orga-nisaties voor een fundamenteel andere verhouding tussen de op- drachtgevende overheid en bouwers. Kern van hun verhaal is dat de overheid op moet houden met de laagste prijs te zoeken als aanbestedingsprincipe zodat bouwers met voorstellen kunnen komen die de hoogste waarde vertegenwoordigen. Dat kan de laagste prijs zijn, maar het hoeft niet. Maar dan moet er wel aantoonbare meerwaarde uit het voorstel blijken.

Al sinds de parlementaire enquête in 2002 proberen overheid en bouwbedrijfsleven hun onderlinge relatie te verbeteren. Daar is een Regieraad Bouw voor in het leven geroepen, die opereert onder de verantwoordelijkheid van maar liefst drie ministers: EZ, VROM en Verkeer en Waterstaat. Ook is er een innovatieprogramma PSIBouw. Dat staat voor Proces- en Systeeminnovatie in de Bouw: grotendeels gefinancierd door het bouwbedrijfsleven zelf en voor een deel ook door overheid. Al sinds hun oprichting pleiten beide orga-nisaties voor een fundamenteel andere verhouding tussen de op- drachtgevende overheid en bouwers. Kern van hun verhaal is dat de overheid op moet houden met de laagste prijs te zoeken als aanbestedingsprincipe zodat bouwers met voorstellen kunnen komen die de hoogste waarde vertegenwoordigen. Dat kan de laagste prijs zijn, maar het hoeft niet. Maar dan moet er wel aantoonbare meerwaarde uit het voorstel blijken.

Meerwerk

De aanbestedingspraktijk is hard-nekkig: ze dwingt tot kiezen voor de goedkoopste aanbieder en tot het doen van het laagste bod. Wordt het werk gegund, dan zijn eventuele verliezen via meerwerk toch wel terug te verdienen. In dat rolpatroon hebben bouwers en opdrachtgevende overheden zichzelf naar het lijkt onwrikbaar in beton gegoten. Goedkoop wordt zo vaak duurkoop en mindere kwaliteit en deze werkwijze draagt niet bij aan herstel van het vertrouwen. Laat staan dat de marktpartners in zo’n rol eens flink uitgedaagd worden om met vernieuwende oplossingen te ko-men. Wat Regieraad en PSIBouw verder bepleiten is dat de opdrachtgever niet zozeer een bouwwerk aanbesteedt, maar een oplossing vraagt voor een – in dit geval – huisvestingsprobleem. Met daarbij een redelijke deadline. Het is dan aan de markt om hiervoor met inventieve voorstellen te komen. Beide partijen gaan vervolgens aan tafel om de voorstellen met open boeken te bespreken. De prijs is daarin niet de enige factor. Ook het bouwtempo gaat dan een grote rol spelen. En de kwaliteit van het resultaat. De duurzaamheid van het gebouw. De flexibiliteit waarin het nieuwe museum aan toekomstige eisen kan worden aangepast. De verdeling van risi-co’s. Het onderhoud. Dat alles ver-tegenwoordigt de waarde die de oplossing van marktpartijen biedt.
Nu voelen grotere opdrachtgevende overheden en de grotere bouw-bedrijven in principe veel voor die vernieuwing en ze experimenteren er ook mee. Maar usance is het allerminst. De prijs staat nog steeds centraal, want zo kan de Minister de Kamer ferm in de o-gen blijven kijken en de bouwers (na uitbetaling van meerwerk) hun aandeelhouders. Maar de maatschappelijke verliezen zijn, zo blijkt ook nu weer, aanzienlijk. En zo gaat het dus vaker: niet alleen met het Rijksmuseum. Maar ook met de Noord-Zuidlijn. Of de Maasvlakte. De Rotterdamse blunderput. Deze houding van niet verroeren en budgetdenken smoort elke vernieuwing waar in dit land zo naar wordt gesnakt.
Verbeteringen
Een mooie uitzondering is de zogenoemde ‘Waardse alliantie’: een deelproject van de Betuwelijn, waar uiteindelijk 25 miljoen euro minder werd uitgegeven dan be-groot en de planning netjes werd gehaald. Opdrachtgever en aan-nemer zochten hier gezamenlijk verbeteringen in het ontwerp en bouwproces en ze deelden de risi-co’s. Het was profijtelijk om op zoek te gaan naar minderwerk in plaats van naar meerwerk. Dat zorgde voor een andere cultuur, die onder meer het zoeken naar creatieve oplossingen en verbeteringen stimuleerde. Als alle
betrokkenen bij het Rijksmuseum zich dit type lessen ter harte nemen, dan zijn er zeker drie mogelijkheden:
1. Minister Plasterk en het bouwbedrijfsleven verkennen de mogelijkheden van een alliantie: daarin staat dan niet de prijs, maar de waarde centraal en gaan de boeken open. Beide partijen brengen de risico’s in kaart, en ze maken ze afspraken over de verdeling daarvan. In deze variant wordt het budgetdenken geofferd ten faveure van het waardedenken.
2. Bouwbedrijven vormen een consortium dat voorstellen doet om het Rijksmuseum alsnog tijdig voor het oog van de wereld te heropenen. Daarbij gaan ze wellicht voorbij aan conventionele aanbestedingsregels, maar grote vraagstukken vragen soms om onconventionele oplossingen. De overheid zou voor een dergelijk initiatief ontvankelijk moten zijn. 3. Minister en bouwbedrijven vormen (voor het eerst) een daadwerkelijke publiek-private samenwerking, waarin ook plaats zou moeten zijn voor een pensioenfonds dat financiële mede-verantwoordelijkheid wil dragen in Nederlands cultuurgoed.
De ene mogelijkheid sluit de an-dere natuurlijk niet uit. Maar ze komen alle drie alleen in beeld als er sprake is van wat durf, lef en vermogen tot daadwerkelijk inno-vatieve samenwerkingsverhoudingen in deze economische sector die goed is voor 80 miljard omzet per jaar.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels