nieuws

Keuringsbureaus in een spagaat

bouwbreed

Op het gebied van de veiligheid was minder overheidsbemoeienis lange tijd het credo. Maar dan moeten bedrijven hun zaakjes wel op orde hebben. Kees Pasmooij breekt nog maar eens een lans voor meer praktijkmensen op inspectiepad.

Onder de titel Strategie Toezichtindustrie is Het Financieele Dagbladrecent een korte serie begonnen over toezicht. De eerste bijdrage op 24 oktober kreeg de uitdagende kop ‘Controlitis is onuitroeibaar’. De toon lijkt meteen gezet, want de term controlitis heeft op z’n minst een negatieve connotatie. Bedoelde de auteur het bewust zo negatief of zat er meer achter?
Toezicht kost geld. Zo becijferde – alles volgens het betreffende FD-artikel van de hand van Richard Smit – Anderson Elffers en Felix (AEF) in 2003, dat 41 handhavingsinstanties bij het Rijk samen een sector vormden ter grootte van 70.000 werknemers en 5,5 miljard euro. Het toezicht was naar de mening van de Tweede Kamer volkomen doorgeslagen en de rem moest er op. Kostenbeheersing en vermindering administratieve lasten zijn immers het adagium van de moderne tijd. Volgens hoogleraar Ko de Ridder uit Groningen, deskundige op dit terrein, “is het niet de politiek maar het publiek dat om meer toezicht vraagt”. Meer aan de markt overlaten en vermindering van het toezicht heeft echter z’n keerzijde, zoals eenieder inmiddels dagelijks in de krant kan lezen. De discussie rond de voortwoekerende kredietcrisis is daarvan het beste voorbeeld.

Veiligheid

Ook op ons terrein, het gebied van de veiligheid, hebben we eenzelfde beweging gezien. Vooral meer markt en minder overheidsbemoeienis was het credo. Op zich lijkt dat een gezonde gedachte, want de verantwoordelijkheid wordt neergelegd waar zij hoort, bij het bedrijfsleven. Voor de bouwnijverheid en het verticaal transport geldt dit meer in het bijzonder voor de leveranciers, eigenaren en gebruikers van machines en middelen.
Mijns inziens moet dan aan drie voorwaarden worden voldaan.
De bedrijven moeten voldoende kennis in huis hebben om de veiligheid waar te kunnen maken. Dat betekent onder meer preventief met veiligheid omgaan, procedures vastleggen en borgen, opleiden en trainen van het personeel en de bazen.
De branche moet voldoende volwassen zijn c.q. over voldoend zelfreinigend vermogen beschikken om veiligheid buiten de concurrentiesfeer te houden en sjoemelaars te weren.
Er moet toezicht zijn en handhaving plaatsvinden van voldoende omvang en intensiteit en met voldoende praktische kennis van de branche.
De eerste twee voorwaarden betekenen een schone taak en een uitdaging voor de bouwnijverheid en het verticaal transport om hun zaakjes op orde te brengen. Nog te vaak worden we opgeschrikt door ongevallen die bij een goede voorbereiding en uitvoering voorkomen konden worden. Ook worden we niet vrolijk als er weer eens gericht onderzoek wordt uitgevoerd en we kennis nemen van het grote aantal tekortkomingen, boetes en stilleggingen. De resultaten van onze eigen Veiligheidsmonitor 2007 (Cobouw 2 juli 2008) liegen er evenmin om. Kortom, de bouw en het verticaal transport hebben zelf werk te verrichten om te rechtvaardigen dat minder toezicht op hun werkzaamheden verantwoord is.
Wat de derde voorwaarde betreft heeft de overheid als toezichthouder nog een lange weg te gaan. Weliswaar dicht de Delftse hoogleraar Ferdinand Mertens de toezichthouders een toenemende autoriteit toe, maar zijn eerder genoemde Groningse collega De Ridder plaatst daar kanttekeningen bij. Hij meent dat “het werk is verschoven van inspecties in de keuken of op de bouwplaats naar controles van achter het bureau”. Wij bevinden ons in goed gezelschap want dit is een constatering die wij volledig onderschrijven en een ontwikkeling waar wij al jaren tegen vechten. Op het gevaar af voor Don Quichotte te worden versleten breken we hier nog maar weer eens een lans voor meer ‘blauw op straat’, lees meer praktijkmensen bij de Arbeidsinspectie buiten op inspectiepad.

Politiek

De politiek ingestoken tegenargumenten en de tegenbeweging bij het Rijk kennen we inmiddels en dan hebben we het niet over geld. Minder toezichtstaken bij het Rijk betekent meer toezichtstaken bij inspectie- en keuringsbureaus (CKI’s) zoals Aboma+Keboma en haar collega’s. Hoe kan ik daar tegen zijn? Het lijkt in commerciële zin een aantrekkelijke ontwikkeling want zij staat garant voor meer omzet. Maar hoe kunnen wij als privaat bedrijf onze onafhankelijke en objectieve positie waar maken als wij ook worden belast met toezicht en handhaving? Daarmee komen we terecht in een spagaat waar onze branche van CKI’s vooralsnog niet op zit te wachten en waar we nog geen sluitend antwoord op hebben.
Uiteindelijk beslist de politiek over omvang, wijze en uitvoering van het toezicht. Om hoogleraar De Ridder nog maar eens te citeren: “Eigenlijk is onbekend wat toezicht maatschappelijk precies oplevert, een echte kosten-batenanalyse valt niet te maken”. De Ridder vervolgt: “Het gaat om de vraag welk risico je acceptabel vindt en daar geven politici geen antwoord op, ze zeggen nooit publiekelijk dat ze een groter risico acceptabel vinden”.
Terug bij af, helemaal mee eens, zo is het maar net, de hoogste tijd voor een verantwoorde risicoanalyse in de bouw en het verticaal transport. Het publiek – lees het bedrijfsleven – zal zich moeten laten horen, juist in onze branche. Dan lever ik Don Quichotte graag in voor de Vox Populi.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels