nieuws

‘Architectuur Berlage en Cuypers zwaar overschat’

bouwbreed

Cuypers en Berlage. Ze worden door velen gezien als de godfathers van de hedendaagse Nederlandse architectuur. Maar is die reputatie eigenlijk wel terecht? En is het wel terecht dat we in Nederland bijna honderd jaar lang een afkeer hebben van alles wat in de 19de eeuw is gebouwd? Hoogleraar Auke van der Woud beantwoordt beide vragen ontkennend.

Prof.dr. Auke van der Woud

“Kijk, hier gaat het mij om”, zegt Van der Woud op zijn Groningse werkkamer. De hoogleraar wijst de beginregels aan van een tijdschriftartikel over de invloed van Nederlands-Indië op architectuur. ‘Grondlegger van het Nederlands modernisme Berlage…’, staat er. “Dit is zo gewoon geworden”, vervolgt Van der Woud. “En als het nou nog waar zou zijn. Maar dat is niet zo. Want áls Berlage al iets had met Indië, dan was hij schatplichtig aan De Bazel. Maar die wordt niet genoemd. Het is altijd weer Berlage. Pure napraterij, meer niet. Op niets gebaseerd. Het is een ingebouwde zekerheid geworden die door niemand wordt betwijfeld.”
Het is de kern van het net verschenen boekje ‘Sterrenstof’. Van der Woud baseerde de titel op de wolk sterren die uit het toverstokje van de fee in Peter Pan afkomstig zijn. “Je ziet ze even maar een seconde later zijn ze weer weg”. Want de hoogleraar ergert zich al jaren aan de weinig wetenschappelijke benadering waarmee de architecten Berlage en Cuypers worden bejegend. “Al in de jaren tachtig begon ik kritische vragen te stellen. Niet meteen omdat ik dacht dat ze die aandacht niet verdienden, maar omdat ik wilde weten waarom we vinden dat ze die aandacht wél verdienen. Dat heeft me altijd dwars gezeten. Iedereen zei altijd dat Cuypers hartstikke belangrijk was. En als ik dan vroeg waarom kreeg ik daar geen goed antwoord op. En daar heb ik een probleem mee.”
Want Van der Woud weet, niet in de laatste plaats omdat hij de schrijver is van het vuistdikke ‘Waarheid en Karakter’ waarin hij veel aandacht aan de architect van het Amsterdamse Centraal Station en het Rijksmuseum besteedde, dat Cuypers “weliswaar een belangrijk architect was, maar ook een buitenbeentje die door zijn tijdgenoten niet als eigentijds werd gezien. Verre van, zou ik willen zeggen.” Het deed onder vakgenoten dan ook behoorlijk pijn dat Cuypers wel de opdracht voor de bouw van het Rijks binnensleepte.
En het deed Van der Woud zeer dat zíjn vakgenoten vorig jaar, in het Cuypersjaar nota bene, zo weinig deden met de informatie die hij ze op een presenteerblaadje had aangereikt. Want nog steeds werden Berlage en zijn Cuypers verafgood. “Ik vond dat weinig professioneel van mijn vakbroeders. Het is niet wetenschappelijk.”
Het was de aanleiding om Sterrenstof te schrijven. Om af te rekenen met de mythe en om te proberen een nieuwe visie te ontwikkelen op de architectuur uit de 19de eeuw. Architectuur die in de ogen van Van der Woud is onderschat omdat iedereen Berlage napraatte in zijn afkeuring ervan. “Maar kijk nu eens naar wat Berlage ons heeft nagelaten. Baksteen, veel baksteen. En een verbijzondering van bepaalde constructieve elementen. Vooral gemetselde bogen. Maar waarom vinden en vonden we dat zo belangrijk? Door alle aandacht op Berlage en Cuypers te vestigen zijn andere grote namen uit het collectieve geheugen gewist. Want wie kent een Van Gendt, rond 1900 een groot en belangrijk bureau dat winkels, kantoren, een hotel, een ziekenhuis, villa’s (waaronder die van Heineken) en het Amsterdamse Concertgebouw ontwierp?”
Van der Woud vond – door onderzoek te doen in negentiende-eeuwse vakbladen – uit dat er, in tegenstelling tot wat Berlage en zijn volgelingen ons willen doen laten geloven niets mis was met de architectuur in de 19de eeuw. “Die was zo gezond als een vis. Het enige ongenoegen dat er leefde was dat het niet de architecten waren die bepaalden wat er gebouwd werd maar de commerciële partijen. Die werden toen voor het eerst machtig.”
Volgens de hoogleraar begon de verering van Berlage al in 1895 en ging die na 1950 onverminderd door. Vooral in de architectuurboeken en in artikelen van J.J. Vriend. “Die schreef erover en iedereen die daarna kwam, nam dat klakkeloos over. Overigens heb ik het niet over de kwaliteit van Berlage als architect, maar puur over zijn positie in de geschiedschrijving. Over het napapegaaien. Ik hoop dat ik met mijn boekje bewerkstellig dat de architectuurgeschiedenis pluriformer wordt. Dat er een einde komt aan de ernstige verarming van de geschiedenis.”
In ‘Sterrenstof’ toont Van der Woud aan dat Berlage is uitgegroeid tot de mythische persoon die hij thans is door een uitstekende pr-machine. “Berlage had een goed contact met de media, was een goed netwerker en was goed bevriend met politici. Hij wist zich daarbij te omringen met mensen uit een progressief en welgesteld milieu. Daardoor leeft ook nog altijd het beeld dat hij socialist zou zijn. In feite was hij echter – als architect – erg conservatief, en anti-modernist.”
Volgens de Groningse professor profiteerde Berlage ook van het feit dat hij in Amsterdam woonde en werkte. “De Nederlandse architectuurgeschiedenis wordt na 1850 door Amsterdam gedomineerd. Ik weet zeker dat als Albert Breunissen Troost in Amsterdam had gewoond hij beroemd was geworden. Maar hij was slechts – een erg goede – stadsbouwmeester in Sneek en dus kent amper iemand hem. In Amsterdam zetelden de landelijke media immers. En daar hebben de aanhangers van Berlage flink gebruik van gemaakt.” ■

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels