nieuws

Een derde weg noodzakelijk in architectuur

bouwbreed Premium

Architectuurprijzen moeten de actualiteit van de architectuurdiscussie weergeven. De jury van de AM NAi-prijs nomineert echter alleen moderne ontwerpen. Volgens Jan den Boer is de toekomst aan een derde weg tussen achterhaald modernisme en kitscherige retro.

Architectuurprijzen zijn een interessante graadmeter voor de kwaliteit van hedendaagse architectuur. Welke ontwikkelingen acht een jury belangrijk? Een jury van de AM NAi-prijs zal op 8 november de prijswinnaars bekendmaken, de vier genomineerden zijn al op 6 augustus aangewezen. Juryvoorzitter Ole Bouman ziet een nieuwe ontwikkeling in de houding van de jongste generatie architecten: “Waar eerdere generaties vooral opvielen door het conceptuele gehalte van hun werk, lijkt de nadruk nu weer meer komen te liggen op het comfort van een gebouw ten behoeve van het welbevinden van de gebruiker.”
Het is echter de vraag vanuit welke visie dit comfort beoordeeld wordt. Een van de genomineerde gebouwen is Wibrant West in Tilburg van JMW. Dit gebouw oogt aan de buitenkant als een retro jaren zestig galerijflat. Galerijflats staan in het algemeen niet bekend om hun gevoel van ‘comfort en welbevinden’ voor de gebruiker, maar de jury oordeelt daar anders over: “Met hun glazen puien, zowel aan het balkon als aan de galerij, maken de woningen een gerieflijke indruk. Het neutrale grid biedt ruimte voor toekomstige veranderingen in indeling en gebruik. Dit draagt sterk bij aan de duurzaamheid van het complex.”

Geloof

Is hier is sprake van een nieuwe houding van architecten? De genomineerde projecten staan alle vier nog in het teken van het aloude Nederlandse concept van het neomodernisme, dat in de traditionele Nederlandse architectuurkritiek nog steeds hoog scoort. Dat concept is al heel lang aan vernieuwing toe, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een boekje dat in 1990 gemaakt is naar aanleiding van het afscheid van Rem Koolhaas van de faculteit Bouwkunde te Delft. In dit boekje, ‘Hoe modern is de Nederlandse architectuur?’, wordt gesteld dat in Nederland architectuurtheorieën veranderen in een kwestie van geloof dat zonder nadenken kan worden beleden. Dat geloof is al heel lang het modernisme, en volgens dit boekje had Nederland toen al behoefte aan nieuwe concepten en nieuwe architectuur.
Het modernisme heeft geleid tot identiteitsloze blokkendozenarchitectuur waar veel mensen niet blij van worden. Een van de nieuwe concepten die Rem Koolhaas in de jaren 90 ontwikkelde, de ‘Generic City’, was een soort supermodernisme, die de identiteitsloosheid nog verder doorzette.
Vanuit de kritiek op dit modernisme zijn andere concepten en nieuwe architectuur vooral gevonden in de retro-architectuur die intussen een commercieel succes is en door steeds meer jonge architecten wordt omarmd. Die retro-architectuur voldoet op heel andere wijze aan de behoefte aan comfort en welbevinden dan de genomineerde gebouwen voor de AM NAi prijs.
Hieruit blijkt dat er nog steeds een grote kloof is tussen architectuurtheorie en -beoordeling en de praktijk van de dagelijkse gebruiker. Een mooi voorbeeld van deze kloof was een lezing van de beroemde architect Bernard Tschumi eind vorige eeuw in Middelburg. Toen een architect vroeg wat zijn architectuurtheorieën, die alleen op papier bestonden, met de dagelijks bouwpraktijk van doen hadden zei hij: ‘Architects don’t build, they design.’ Het zijn deze designers die vooral van concepten uitgaan, en de jury van de AM NAi prijs erkent blijkbaar dat dit niet altijd samengaat met welbevinden van de gebruiker.
Overigens is de nadruk op de gebruiker ook niet altijd succesvol. In de jaren 70 is met name in de stadsvernieuwing een grote nadruk gelegd op de invloed van de bewoners. Dit heeft geleid tot een identiteitsloze aaneenrijging van ‘gezellige’ woningen die door de kritiek zijn neergesabeld als neo-truttigheid.

Herkenbaarheid

Het is blijkbaar niet eenvoudig om in de architectuur een identiteit te creëren die herkenbaarheid, comfort en welbevinden oproept bij de gebruiker en tegelijkertijd een conceptuele meerwaarde biedt voor architectuurkritiek en architectuurtheoretici.
Er zijn dus eigenlijk twee vormen van herkenbaarheid: die welke een gevoel van welbevinden oproept en die welke zich vertaalt in intellectuele concepten. De architectuurcritici verdwalen nog te veel in intellectuele concepten, en proberen weliswaar de nieuwe woorden van welbevinden te gebruiken, maar vergeten dit te vertalen naar een gevoelsniveau. Keuzes voor een retro jaren 60 galerijflat laten duidelijk zien waar dit misgaat.
Anderzijds kan een te gemakkelijke vertaling in herkenbare gevoelswaarden leiden tot platvloersheid en kitsch die intellectuelen afschrikt.
Wat nodig is, is een derde weg, waarin intellectuele concepten en gevoelsmatig welbevinden samengaan in plaats van elkaar uitsluiten. Een prijsvraag die de actualiteit in architectuur weergeeft zonder te blijven hangen in een achterhaald modernisme, zou juist architecten moeten nomineren die deze derde weg zichtbaar maken.

Reageer op dit artikel