nieuws

Spraakverwarring

bouwbreed

Het debat over de ontwikkelingen in de bouwnijverheid is misschien niet altijd levendig, maar echt saai is het nooit. De aanjagers van het debat zijn de mensen die verandering willen. Dat betekent anders bouwen, meer klantgerichtheid, goedkoper bouwen, veiliger bouwen en ook meer verdienen. De marges zijn te smal en met een dunne portemonnee kan je weinig uitgeven voor onderzoek en ontwikkeling. Dit laatste zou dan weer tot gevolg hebben dat er te weinig vernieuwing en ook te weinig productiviteitsverbetering optreedt. Overigens fluctueert in het debat de aandacht voor de verschillende onderwerpen met de stand van de conjunctuur. Een impuls voor de discussie werd een jaar of zeven geleden gevonden in het manifest van de Britse Task Force, Rethinking Construction. Met instemming werd gewezen op de ferme doelstellingen. Ik zal de voornaamste nog even herhalen: een kostenreductie voor het bouwproduct van 10 procent per jaar en een productiviteitsverbetering per jaar van eveneens 10 procent. Ook 20 procent minder ongelukken per jaar. Als klap op de vuurpijl was er de doelstelling voor omzet en winst. Beide zouden jaarlijks met 10 procent moeten toenemen. Een tussenbalans van de genoemde grootheden heb ik nog niet gezien, maar het is onmogelijk dat de uitkomsten zelfs maar in de buurt van de genoemde cijfers kunnen komen. Opvallend de laatste jaren is de nadruk die wordt gelegd op de bouwketen. Alle activiteiten dus vanaf de grondstofwinning tot de oplevering door het bouwbedrijf en tegelijk alle werkzaamheden vanaf het initiatief tot het in gebruik hebben van het gebouwde, dienen gericht te zijn op de eindgebruiker. Het is noodzakelijk allemaal in dezelfde richting te marcheren en voortdurend rekening met elkaars wensen te houden. Wat is nu de praktijk? Weliswaar gebruiken we in het debat dikwijls gelijke termen, zoals klant, kwaliteit, duurzaamheid, kosten en prijzen en nog meer, maar de vraag is, of we dan wel steeds hetzelfde bedoelen. Ik ben bang van niet. De infra en de b0x26u maken niet alleen andere producten, maar hebben ook een gehele andere kring van opdrachtgevers en verschillende bouworganisatievormen. Er is een aantal deelmarkten met eigen gewoonten en omgangsvormen. Afhankelijk van de deelmarkt kan hetzelfde bedrijf hoofd- of onderaannemer zijn. De grootte van bedrijven verschilt sterk. Aanbevelingen voor een bedrijfspolitiek die alleen uitvoerbaar zijn voor grote bedrijven landen dan niet in de gehele bedrijfstak of werken zelfs averechts uit. Gaat het om het beste bouwproduct tegen de laagste prijs, of staat een zo hoog mogelijk rendement voor bedrijven voorop? Is het uitgangspunt de kwaliteit van de gebouwde omgeving of het belang van de bedrijven? Als er niet een gemeenschappelijke noemer in het debat is, zal er spraakverwarring optreden. Die lossen we niet op door de formule, dat we streven naar een optimum waarbij klant en leverancier allebei tevreden zijn.

Het debat over de ontwikkelingen in de bouwnijverheid is misschien niet altijd levendig, maar echt saai is het nooit. De aanjagers van het debat zijn de mensen die verandering willen. Dat betekent anders bouwen, meer klantgerichtheid, goedkoper bouwen, veiliger bouwen en ook meer verdienen. De marges zijn te smal en met een dunne portemonnee kan je weinig uitgeven voor onderzoek en ontwikkeling. Dit laatste zou dan weer tot gevolg hebben dat er te weinig vernieuwing en ook te weinig productiviteitsverbetering optreedt. Overigens fluctueert in het debat de aandacht voor de verschillende onderwerpen met de stand van de conjunctuur. Een impuls voor de discussie werd een jaar of zeven geleden gevonden in het manifest van de Britse Task Force, Rethinking Construction. Met instemming werd gewezen op de ferme doelstellingen. Ik zal de voornaamste nog even herhalen: een kostenreductie voor het bouwproduct van 10 procent per jaar en een productiviteitsverbetering per jaar van eveneens 10 procent. Ook 20 procent minder ongelukken per jaar. Als klap op de vuurpijl was er de doelstelling voor omzet en winst. Beide zouden jaarlijks met 10 procent moeten toenemen. Een tussenbalans van de genoemde grootheden heb ik nog niet gezien, maar het is onmogelijk dat de uitkomsten zelfs maar in de buurt van de genoemde cijfers kunnen komen. Opvallend de laatste jaren is de nadruk die wordt gelegd op de bouwketen. Alle activiteiten dus vanaf de grondstofwinning tot de oplevering door het bouwbedrijf en tegelijk alle werkzaamheden vanaf het initiatief tot het in gebruik hebben van het gebouwde, dienen gericht te zijn op de eindgebruiker. Het is noodzakelijk allemaal in dezelfde richting te marcheren en voortdurend rekening met elkaars wensen te houden. Wat is nu de praktijk? Weliswaar gebruiken we in het debat dikwijls gelijke termen, zoals klant, kwaliteit, duurzaamheid, kosten en prijzen en nog meer, maar de vraag is, of we dan wel steeds hetzelfde bedoelen. Ik ben bang van niet. De infra en de b0x26u maken niet alleen andere producten, maar hebben ook een gehele andere kring van opdrachtgevers en verschillende bouworganisatievormen. Er is een aantal deelmarkten met eigen gewoonten en omgangsvormen. Afhankelijk van de deelmarkt kan hetzelfde bedrijf hoofd- of onderaannemer zijn. De grootte van bedrijven verschilt sterk. Aanbevelingen voor een bedrijfspolitiek die alleen uitvoerbaar zijn voor grote bedrijven landen dan niet in de gehele bedrijfstak of werken zelfs averechts uit. Gaat het om het beste bouwproduct tegen de laagste prijs, of staat een zo hoog mogelijk rendement voor bedrijven voorop? Is het uitgangspunt de kwaliteit van de gebouwde omgeving of het belang van de bedrijven? Als er niet een gemeenschappelijke noemer in het debat is, zal er spraakverwarring optreden. Die lossen we niet op door de formule, dat we streven naar een optimum waarbij klant en leverancier allebei tevreden zijn.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels