nieuws

Veel helderheid in luchtkwaliteit

bouwbreed

Luchtkwaliteit met de daarbij behorende regelgeving, blijft de gemoederen bezig houden. Op nationaal en Europees niveau is de regelgeving in beweging. Zal de bouwpraktijk minder worden belemmerd? Worden in de nieuwe Wet luchtkwaliteit de ruimtelijke besluitvorming en de normen voor de luchtkwaliteit ‘ontkoppeld’? En is dat mogelijk in het licht van de Europese regelgeving? Deze vragen zijn in de literatuur regelmatig aan de orde geweest. In het interessante onderzoek ‘Recht op schone lucht’ staan deze en andere vragen omtrent de luchtkwaliteitsproblematiek centraal.

Luchtkwaliteit met de daarbij behorende regelgeving, blijft de gemoederen bezig houden. Op nationaal en Europees niveau is de regelgeving in beweging. Zal de bouwpraktijk minder worden belemmerd? Worden in de nieuwe Wet luchtkwaliteit de ruimtelijke besluitvorming en de normen voor de luchtkwaliteit ‘ontkoppeld’? En is dat mogelijk in het licht van de Europese regelgeving? Deze vragen zijn in de literatuur regelmatig aan de orde geweest. In het interessante onderzoek ‘Recht op schone lucht’ staan deze en andere vragen omtrent de luchtkwaliteitsproblematiek centraal.
In Cobouw en in verschillende andere dagbladen en vaktijdschriften is al veel gepubliceerd over de luchtkwaliteitsproblematiek. En er is in korte tijd een grote hoeveelheid jurisprudentie tot stand gekomen, een hoeveelheid die maar blijft groeien. ‘Recht op schone lucht’ geeft een overzicht van de stand van de wetgeving, de literatuur, uitgevoerde onderzoeken en de jurisprudentie. Het onderzoek is uitgevoerd door J.R.C. Tieman, A.R.G. van Dijk-Barkmeijer en H.F.T. Pennarts, werkzaam aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit. Er komen verschillende vragen aan de orde die er zijn over de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Met deze uitgave krijgt de lezer inzicht in op welke wijze luchtkwaliteitsonderzoek moet worden uitgevoerd. Daarbij wordt besproken of de toetsing aan de grenswaarden bij bestemmingsplannen en tracébesluiten op een flexibeler wijze kan worden vormgegeven. Verder gaan de auteurs in op de nieuwe Wet Luchtkwaliteit en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Ontkoppeling

Een veel voorkomende vraag is of ontkoppeling mogelijk is tussen ruimtelijke ordening en infrastructuur en luchtkwaliteit. Koeman stelde deze vraag al eerder in het tijdschrift Bouwrecht van het Instituut voor Bouwrecht (IBR). Het thema ontkoppeling is daarna in de praktijk en in de literatuur stelselmatig bediscussieerd. In dit onderzoek wordt echter alles op een rij gezet en tot een samenvattende conclusie gekomen. Eerst is onderzocht wat exact de juridische oorzaken zijn van de koppeling en van de wijze waarop deze koppeling nu wordt toegepast bij besluiten inzake ruimtelijke en infrastructurele projecten. Vervolgens wordt op basis daarvan aangegeven op welke niveaus de mogelijkheden tot ontkoppeling moeten worden gezocht. Duidelijk is dat de directe koppeling zoals opgenomen in art. 7 lid 1 Besluit luchtkwaliteit 2005 en art. 5.2 lid 1 Wet milieubeheer kan worden afgeschaft. Grenswaarden in Europeesrechtelijke zin geven het niveau aan van de luchtkwaliteit dat absoluut gehaald moet worden. Dit is een vergaande resultaatsverplichting. De Nederlandse vertaling van de Europese regelgeving omtrent grenswaarden gaat echter nog wat verder. In de genoemde Nederlandse bepalingen staat namelijk ook geregeld hoe die grenswaarden gehaald moeten worden; de grenswaarden moeten namelijk in acht worden genomen bij de uitoefening van bevoegdheden. Voorbeelden van dergelijke bevoegdheden zijn het verlenen van vergunningen, vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een vrijstelling van een bestemmingsplan.

Duidelijk

Door de directe koppeling in het Besluit luchtkwaliteit én de Wet milieubeheer te schrappen kunnen problemen zoals met normen voor luchtkwaliteit in de toekomst, zoals de komende normen voor water, deels worden voorkomen. Let wel deels, want gehele ontkoppeling is volgens de onderzoekers niet mogelijk. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG (de hoogste Europese rechter) is hier duidelijk over: er moet hoe dan ook een verband worden gelegd tussen (de vervuilende effecten van) projecten en (de effecten van) maatregelen. De nieuwe regelgeving omtrent luchtkwaliteit legt dat verband. Er is sprake van de opstelling van een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit waarmee een set van maatregelen tot stand kan worden gebracht en waarmee voldaan wordt aan de normen voor luchtkwaliteit. Het (vervuilende) project en de maatregelen om de vervuiling per saldo op te heffen moeten op elkaar afgestemd worden. Op deze wijze blijft er sprake van een koppeling. Of de nieuwe regelgeving overeenkomstig de Europese regelgeving is en of de bouwpraktijk erbij gebaat is, hangt geheel af van de inhoud van het NSL. Haalt men met het NSL de grenswaarden voor luchtkwaliteit dan is dat zeker het geval. Groot voordeel daarbij is dat de onderzoeksverplichting en motiveringsverplichting van bevoegde gezagen (vaak gemeenten) naar verwachting aanzienlijk minder zwaar wordt. Dit is wederom afhankelijk van de inhoud van het NSL. Wel moet men bedenken dat de plicht blijft voor het bevoegd gezag te onderzoeken of bij concrete projecten voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden. Aandacht voor dergelijk onderzoek blijft, ook met de nieuwe regelgeving, daarom een belangrijke opgave voor bevoegde gezagen.
Mr. A.Z.R. Koning
Juridisch stafmedewerker IBR,
Den Haag
azrkoning@ibr.nl
De publicatie ‘Recht op schone lucht’ is verkrijgbaar bij het Instituut voor Bouwrecht (IBR) zie www.ibr.nl, onder Publicaties en vervolgens IBR-publicaties.
Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het IBR: www.ibr.nl/actueel.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels