nieuws

Opleveringsmelding: niet te goeder trouw

bouwbreed

De opneming en de oplevering zijn in de UAV 1989 minitieus geregeld. Zowel voor de normale als voor een afwijkende gang van zaken voorziet de UAV 1989 in oplossingen. In een uitspraak van 3 december 2006, nummer 25.999 oordeelde de Raad van Arbitrage (RvA) over een renovatie en verbouwing van een woonhuis met stal.

Het ging over de renovatie en verbouwing van een woonhuis met stal tot kinderdagverblijf. Vast komt te staan dat dat partijen zijn overeengekomen dat het totale werk uiterlijk medio oktober 2002 opgeleverd had dienen te worden. Deze datum is voorts te zien als een fatale datum in de zin van artikel 6:83(a) BW. Dat wil zeggen, dat de overschrijding ervan de aannemer automatisch in verzuim doet zijn en hij dus aansprakelijk is. Een schriftelijke ingebrekestelling is in dat geval niet nodig.

Beroep

De aannemer doet een beroep op paragraaf 9, lid 6 van de UAV 1989. Paragraaf 9 lid 6, UAV 1989 geeft een regeling voor het geval opneming van een werk niet binnen 15 dagen – na de dag die daarvoor door de aannemer is bepaald in zijn uitnodiging van de directie – heeft plaatsgevonden. De aannemer dient in dat geval een nieuwe aanvraag tot de directie te richten en als ook aan die uitnodiging geen gehoor gegeven wordt, bepaalt lid 6 van paragraaf 9 dat het werk geacht wordt op de achtste dag na verzending van de tweede uitnodiging te zijn goedgekeurd.
De aannemer stelt dat het werk begin februari 2003 was voltooid, omdat het werk op grond van paragraaf 9 (6) UAV per 17 januari 2003 als opgeleverd diende te worden beschouwd. De aannemer heeft immers per brief van 10 december 2002 (en nadien ook nog eens per brief van 20 december 2002) tevergeefs aan de architect voorgesteld om het werk als bedoeld in paragraaf 9(1) UAV op te nemen en vervolgens heeft hij op 8 januari 2003 de architect tevergeefs gesommeerd om binnen acht dagen het werk op te nemen, aldus – nog steeds – aannemer. Daar is de opdrachtgever het niet mee eens: in december 2002 en januari 2003 was het werk, gezien de aard van de nog te verrichten werkzaamheden, evident nog niet gereed om te worden opgenomen voor oplevering.
Een beroep op paragraaf 9 (6) UAV is in dat geval in strijd met de goede trouw, omdat paragraaf 9 UAV niet is geschreven ten behoeve van een aannemer die willens en wetens een nog lang niet opleveringsgereed werk ten onrechte aanmeldt als zijnde gereed, aldus – nog steeds – opdrachtgever. Arbiters gaan met de opdrachtgever mee. Uit het door aannemer opgestelde werkschema van 20 januari 2003 – waarin 119 geplande activiteiten zijn opgenomen en op grond waarvan het werk pas eind maart gereed zou zijn – blijkt al dat het werk in december 2002, dan wel begin januari 2003 niet was voltooid en dat aannemer dit ook wist, althans behoorde te weten. Daarenboven zijn arbiters van oordeel dat het onderhavige werk pas als opgeleverd (en derhalve als voltooid) kon worden beschouwd als het kinderdagverblijf zonder risico voor de veiligheid van de kinderen in gebruik zou kunnen worden genomen.

Handbereik

Als bijvoorbeeld de aannemer nog een aantal kleinschalige werkzaamheden zou dienen uit te voeren (waarbij dus geen steigers, geen materiaal en materieel onder handbereik van kinderen zou zijn), zou gezegd kunnen worden dat het werk zonder risico in gebruik genomen zou kunnen worden. Maar uit het werkschema blijkt dat niet. Er moest juist nog veel gebeuren en het werk was begin februari 2003 nog niet gereed om te worden opgenomen voor oplevering.
Aannemer komt dus geen beroep toe op paragraaf 9(6) UAV. Deze regeling is niet geschreven ten behoeve van een aannemer die willens en wetens een nog lang niet opleveringsgereed werk ten onrechte aanmeldt zijnde gereed. Daarbij heeft had de opdrachtgever aan de aannemer tijdig kenbaar gemaakt dat volgens hem het werk niet was voltooid. Voor zover aannemer nog stelt dat het werk begin februari 2003 opleveringsgereed en derhalve (nagenoeg) voltooid was, omdat het werk begin januari 2003 reeds in gebruik was genomen, achten arbiters die stelling eveneens onjuist.
De opdrachtgever heeft – met medeweten van de aannemer – maar een klein deel van het werk in gebruik genomen om een half miljoen gulden subsidie niet mis te lopen. Bovendien, aldus arbiters, heeft ingebruikneming van (een deel van) het werk niet zonder meer tot gevolg dat (dit deel van) het werk in de zin van paragraaf 9 UAV is of geacht wordt te zijn voltooid.
Prof.dr.mr. M.A.B. Chao-Duivis is
directeur van het Instituut voor Bouwrecht (IBR), Den Haag en hoogleraar bouwrecht aan de TU Delft.
Voor meer bouwrechtelijk actualiteten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het IBR:
www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels