nieuws

Wettelijke rente en algemene voorwaarden onder de loep

bouwbreed

Paragraaf 45 UAV 1989 is gewijd aan het ingebreke blijven, onvermogen of overlijden van een der partijen. In het eerste lid wordt gesproken van vergoeding van rente tegen het wettelijk percentage. Wat is dat percentage: het percentage van art. 6:119 BW of van art. 6:119a? Over deze kwestie heeft de Raad van Arbitrage zich onlangs uit kunnen spreken.

De opdrachtgever die in gebreke blijft met het betalen van de aannemer dient de aannemer niet alleen het verschuldigde bedrag te voldoen, maar moet daarover ook rente betalen. Dit wordt bepaald in lid 1 van par. 48 UAV 1989. Uiteraard liggen de kaarten anders indien de vertraging aan de aannemer te wijten is. De rente die vergoed moet worden, wordt berekend aan de hand van het wettelijk rentepercentage.
Maar wat bedoelt de UAV 1989 met wettelijk rentepercentage? We kennen immers twee wettelijke rentepercentages.
Vertraging
In art. 6:119 BW gaat het om de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Deze bestaat, zo zegt het artikel, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Dit is, zeg maar, het algemene wettelijke rentepercentage. Dit percentage wordt vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) en gepubliceerd in het Staatsblad. De hoogte van de wettelijke rente wordt berekend door 2,25 procentpunt op te tellen bij de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank (ECB). Dit percentage bedraagt op dit moment 4.
In art. 6:119a BW gaat het om zogenaamde handelstransacties. Onder handelstransacties verstaat de wet: de overeenkomst om baat (zeg maar: waarvoor betaald wordt) die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen. De hoogte van deze wettelijke rente wordt berekend door 7 procentpunt op te tellen bij de marginale toewijzingsrente die de ECB heeft toegepast op de meest recente herfinancieringsrente die heeft plaatsgevonden vóór 1 januari respectievelijk vóór 1 juli van elk jaar. Per 30 juni 2006 is dit tarief 2,83 procent. De wettelijke rente voor handelstransacties is op 1 juli 2006 daarom 7 procent + 2,83 procent = 9,83 procent. (Bron: Postbus 51).
Kortom het maakt nog al uit of de opdrachtgever de gewone wettelijke rente verschuldigd is of de rente in geval van handelstransacties.
Samenspel
In het geval, waarover arbiter in zijn uitspraak van 11 mei 2006, RvA 21.807 oordeelde, stonden aannemer en opdrachtgever tegen over elkaar wat betreft het toepasselijke rentepercentage. De aannemer stelde dat het percentage van art. 6: 119a BW van toepassing was en de opdrachtgever stelde dat het in de UAV 1989 gaat om het percentage van art. 6:119 BW. De opdrachtgever beriep zich daartoe op het feit dat de UAV 1989 in werking is getreden voordat art. 6: 119a BW in het leven werd geroepen. Daar had arbiter weinig belangstelling voor: art. 6:119 BW is immers ook van jonger datum dan par. 45 UAV 1989. Het is toch niet de bedoeling van de opdrachtgever om dan maar aan te knopen bij het oude BW (het huidige BW dateert van 1992)? Opdrachtgever had die bedoeling inderdaad niet.
Hoe lost arbiter de kwestie nu op? Het antwoord op de vraag leidt hij af uit het samenstel van de relevante wettelijke bepalingen, van de door partijen gesloten overeenkomst. Dat brengt arbiter tot het volgende: ‘Nu in casu voldaan is aan de in artikel 6:119a BW genoemde omschrijving van een handelsovereenkomst, dient de verwijzing naar het wettelijk percentage in de UAV 1989 worden gezien als een verwijzing naar artikel 6:119a juncto 6:120 lid 2 BW.
Het feit dat de UAV 1989 ‘rente op rente’ uitsluit maakt dit, zoals aanneemster terecht betoogt, niet anders, nu dit slechts als een uitsluiting van artikel 6:119a lid 3 BW heeft te gelden en niet van genoemd artikel als geheel. Waar in dit vonnis de rente als bedoeld in paragraaf 45 lid 2 UAV 1989, daarover wordt toegewezen, moet de daarin opgenomen verwijzing naar de rente tegen ‘wettelijk percentage’ worden geïnterpreteerd als de rente als bedoeld in artikel 6:119a BW (juncto 6:120 lid 2 BW). Het gaat er dus om, wat voor soort overeenkomst sloten partijen. Is een van partijen een consument dan zal het wel om een gewone transactie gaan en zijn beide ‘ondernemer’ dan gaat het om een handelstransactie. Het enkele feit dat de UAV 1989 van toepassing zijn, bepaalt dus nog niet welk percentage toegepast moet worden.
Toelichting
Nog een laatste opmerking over de UAV-GC 2005 en de DNR 2005. Hoe gaan die met dit probleem om? De UAV-GC 2005 spreken in par. 42 lid 1 ook van wettelijk rentepercentage, terwijl de Toelichting er verder niets over zegt. Aangenomen zal dienen te worden, dat de uitspraak, die hier besproken is, ook voor die bepaling bruikbaar is. De DNR 2005 regelt de niet of te late betaling van de advieskosten in art. 56 en bepaalt in lid 6 dat bij te late bepaling de wettelijke rente verschuldigd is. In de Toelichting wordt gewezen op het bestaan van beide rentesoorten en wordt de lezer er op gewezen dat in voorkomende gevallen het goede percentage gehanteerd dient te worden. In de nieuwste set van algemene voorwaarden de Consumentenregeling 2006 Rechtsverhouding consument – architect wordt in art. 3 lid 3 gesproken van ‘de wettelijke rente’. Omdat het hier om een consumenten overeenkomst gaat, kan alleen de wettelijke rente van art. 6:119 BW bedoeld zijn.
Prof.mr.dr. M.A.B. Chao-Duivis is directeur van het Instituut voor Bouwrecht (IBR) en hoogleraar Bouwrecht TU Delft, faculteit Bouwkunde. Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het IBR: www.ibr.nl/ actueel.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels