nieuws

Haal ervaring weg achter veilige bureaus

bouwbreed

Nederland hoefde zich tot voor kort geen zorgen te maken over de constructieve veiligheid van gebouwen. Er waren gedegen constructieadviesbureaus, de regelgeving was goed op orde en het toezicht geregeld. Niemand maakte zich dan ook zorgen voor zijn veiligheid bij het betreden van een gebouw, stelt Willem Dantuma. Echter een aantal recente voorvallen heeft duidelijk gemaakt dat er reden is weer eens goed na te denken over het waarborgen van de veiligheid van gebouwconstructies.

De discussie hierover gaat tot op heden voornamelijk over het �op papier� goed gaan regelen van verantwoordelijkheden. Daarnaast is er een roep om de functie van hoofdconstructeur – op papier – weer nieuw leven in te gaan blazen. Maar lossen we de problemen die er zijn daarmee daadwerkelijk op en neemt de beroepsgroep bouw daarmee voldoende verantwoordelijkheid? Moet de aandacht niet veel meer verlegd gaan worden naar de bouw- en productieplaatsen en gewaarborgd gaan worden dat ter plekke voldoende vakkundigheid aanwezig is en controles weer uitgevoerd gaan worden door ervaren vakmensen? Onderstaand artikel poogt een impuls te geven aan de lopende discussies hieromtrent en de aandacht te verleggen naar oplossingen die aansluiten op de huidige bouwpraktijk.

Afgebroken balkonplaten in Maastricht; Een instabiel appartementengebouw in de steigers gezet in Almere; Ontruiming van appartementen ten gevolge van bouwfouten in Amsterdam: het zijn enkele voorbeelden van recente projecten, waar falende gebouwconstructies daadwerkelijk geleid hebben tot onveilige situaties. Daarbij moet opgemerkt worden dat veel potentiële schades gelukkig nog steeds wel tijdig opgemerkt en hersteld worden in de ruwbouwfase. Het lijkt er echter wel op dat het vangnet aan controles, zowel op papier als in de praktijk, niet afdoende meer is en toe is aan een herijking.

Het vak van constructeur kan zeker niet tot één van de oudste beroepen gerekend worden, want bestaat in zijn huidige vorm nog maar ongeveer zestig jaar. Daarvoor werden constructies door de architect vormgegeven, voornamelijk op basis van praktijkervaring en eenvoudige regels. In de afgelopen zestig jaar is het vak van constructeur steeds meer specialistisch geworden en zijn uitgebreide bouwnormen ontwikkeld met een hoog wetenschappelijk gehalte. Gesteld kan dan ook worden dat met de huidige kennis van bouwmaterialen en bouwmethoden een goed pakket normen beschikbaar is en voortdurend nog ingespeeld wordt op nieuwe ontwikkelingen.

Geconstateerd kan worden dat de bouw steeds meer verandert van een �maakindustrie� naar een �assemblage-industrie�. Tegenwoordig wordt steeds minder op de bouwplaats zelf gemaakt, maar worden kant en klare producten aangeleverd en op de bouw gemonteerd door een leverancier of een onderaannemer. De hoofdaannemer heeft steeds meer een coördinerende rol naar zich toegetrokken in de aansturing van alle leverende en monterende partijen, maar heeft daarbij verloren aan vakkennis en ervaring. Met name economen, managers en juristen bevolken tegenwoordig de kantoren van de grotere hoofdaannemers.

De uitvoerders, met name bij de grotere projecten, zijn geworden tot managers die in de bouwkeet met een laptop aan het bestellen en regelen zijn. Er wordt daarbij vooral gestuurd op tijd en geld. Voor de techniek worden de leveranciers en de onderaannemers verantwoordelijk geacht.

De leveranciers en onderaannemers zijn over het algemeen deskundig in het eigen specialisme, maar hebben niet het inzicht in de direct aansluitende constructies en de totale opbouw van de constructie. Hierdoor kunnen er zaken tussen wal en schip vallen, hetgeen tot problemen kan leiden.

Bouwmanagers

Bouwmanagers, in opdracht van de principalen, zijn een opkomend fenomeen in de bouw, maar inmiddels is wel gebleken dat bouwmanagementbureaus met name sturen op tijd en geld en te weinig kennis en ervaring van de bouwtechniek hebben om daarin een toegevoegde waarde te kunnen leveren. Opdrachtgevers denken nog te vaak dat de bouwmanagers de functie van toezicht goed kunnen invullen, maar dat blijkt niet altijd het geval te zijn. Het toezicht blijft dan vaak beperkt tot het voorzitten van de bouwvergaderingen en een wandeling over de bouwplaats. E.e.a. is natuurlijk ook afhankelijk van de verstrekte opdracht.

Het daadwerkelijke toezicht op de bouw is in de afgelopen jaren danig in de knel gekomen. Er wordt veel te weinig waarde aan toegekend en er is daarnaast te weinig vakkundigheid beschikbaar. De ervaren, oudere toezichthouders nemen zo langzamerhand afscheid van de bouw en er is onvoldoende geïnvesteerd in goede vervanging.

“Je kunt en mag bijvoorbeeld van een jonge MBO-er niet verwachten dat hij een stort afblaast, terwijl de betonauto�s al ronkend bij de bouwplaats staan te wachten en de uitvoerder de claim al aan het uitrekenen is, als de stort niet doorgaat en de bouw wellicht enige tijd stil zou komen te liggen”.

Zonder aan leeftijdsdiscriminatie te willen doen, moeten opzichters ervaren vakmensen zijn, met veel overwicht, van in de vijftig of ouder, die voor kwaliteit gaan en niets anders. Deze vakmensen kunnen een daadwerkelijke toegevoegde waarde leveren in het keuren en controleren van het uitgevoerde werk en hebben dat in het verleden ook uitstekend gedaan. In die tijd werd het toezicht vooral geleverd door of namens de architectenbureaus, maar tegenwoordig is dat steeds minder het geval.

Voor het toezicht in de ruwbouwfase kan er een belangrijke taak en verantwoordelijkheid komen te liggen bij de constructiebureaus. De ervaren constructeurs zouden wellicht vanachter hun �veilige� bureaus weggehaald moeten worden en een taak moeten krijgen in het daadwerkelijke toezicht, zodat theorie en praktijk met elkaar verbonden kunnen worden. In de afgelopen jaren is het toezicht door de constructiebureaus, vanwege het aspect �geld�, tot een minimum beperkt en komen constructeurs, gechargeerd gesteld, alleen nog tijdens personeelsuitjes op een bouwplaats.

Het toezicht door gemeenten is inmiddels verworden tot een papieren winkel, zonder veel toegevoegde technische waarde. Vakmensen zijn daar met een lampje te zoeken, waarbij de technische kwaliteiten van zowel de binnendienst- als de buitendienstmedewerkers vaak bedroevend laag zijn. Het is te zot voor woorden dat soms ervaren constructeurs van constructieadviesbureaus gecontroleerd worden door schoolverlaters bij gemeenten, zonder enige ervaring, maar slechts met een cursus �Ambtenaar Bouw en Woningtoezicht� op zak. Gemeenten zijn in de afgelopen jaren onvoldoende in staat gebleken om technisch kundige afdelingen bouwtoezicht, op een voldoende hoog niveau, in stand te houden en beter kan dan ook maar toegewerkt worden naar een nieuw model voor toezicht, dat beter aansluit op de huidige bouwpraktijk.

Een oplossing zou kunnen zijn om over te stappen naar onafhankelijk gecertificeerd toezicht, dat ingezet kan worden door zowel de opdrachtgevers als ook de gemeenten, zodat beide partijen hun verantwoordelijkheid kunnen nemen.

Branchevereniging

Deze certificering, liefst op persoonsniveau, zou dan met name gestoeld moeten worden op technische expertise en ervaring. De certificering zou geïnitieerd en ontwikkeld kunnen worden door de brancheverenigingen. Het toezicht zou, zowel op papier als in de praktijk, in ieder geval moeten bestaan uit:

– -toets op de samenhang van de ontworpen constructies;

– -toets op de kwaliteit van aangeleverde documenten;

– -toets op de bouwputconstructies;

– toets op de funderingsconstructies;

– -toets op de ruwbouwconstructies bovenbouw;

– toets op de gevelconstructies.

Per onderdeel zouden vooraf, per project, de risico�s in beeld gebracht moeten worden, zodat de mate van toezicht daarop bepaald kan worden. Dit moet zeker niet een papierwinkel worden, maar vooral ruimte bieden voor inbreng van expertise en ervaring.

De bouw is toe aan een kwaliteitsslag in het toezicht, waarbij de constructeur in de ruwbouwfase een actieve rol kan en moet gaan spelen. Dit heeft meer toegevoegde waarde dan een papieren verdeling in verantwoordelijkheden tussen �hoofdconstructeur� en �deelconstructeur�. Elke constructeur heeft de verantwoordelijkheid voor het eigen uitgevoerde werk en het is geen enkel probleem dat er verschillende constructeurs, elk met hun eigen specialisme, bij een project betrokken zijn. De huidige wijze van bouwen vraagt juist om steeds meer specialismen. Die specialismen moeten echter wel gebundeld worden en dat was en moet ook de taak blijven van de hoofdconstructeur. Deze taken zijn overigens nu uitstekend vastgelegd in de door de BNA en de ONRI ontwikkelde DNR-2005 STB. (De Nieuwe Regeling, Standaard Taak-Beschrijving).

De hoofdconstructeur hoeft dus niet op een nieuw voetstuk geplaatst te worden, maar er moet veel meer aandacht komen voor vakkundig en professioneel toezicht. Dan wordt er concreet invulling gegeven aan een proces om toekomstige problemen met gebouwconstructies te voorkomen. Inmiddels is daarmee haast geboden!

�Toezicht gemeenten inmiddels verworden tot een papieren winkel�

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels