nieuws

Architectonische kwaliteit bij DBFMO in geding

bouwbreed Premium

Met het besluit van de Ministerraad in april 2005 werd de structurele toepassing van Design Build Finance Maintain Operate (DBFMO) bij de Rijksgebouwendienst ingeluid. Belangrijke motieven waren het realiseren van meerwaarde en het stimuleren van innovatie. Volgens Heleen Geerligs lijkt de ambitie van de overheid, om een voorbeeld te zijn op het gebied van architectonische kwaliteit, naar de achtergrond te zijn verdwenen.

Het besluit van de Ministerraad om DBFMO toe te passen hield in dat voor elk project van de Rijksgebouwendienst, dat de € 25 miljoen ontstijgt wordt onderzocht of gebruik van deze nieuwe contractvorm financieel doelmatig is ten opzichte van een traditionele aanbesteding.
Evaluaties uit Engeland, ons grote voorbeeld, wijzen weliswaar op de terugdringing van tijd- en budgetoverschrijdingen, maar ook op de achterblijvende ontwerpkwaliteit.

Waarborgen

De keuze van het Rijk voor DBFMO is dan ook op zijn minst opmerkelijk te noemen. Het vermoeden dat kwaliteit achter zou blijven, werd versterkt toen de Rijksbouwmeester, onder meer verantwoordelijk voor het bevorderen en bewaken van architectonische kwaliteit bij rijksoverheidsprojecten, zich terugtrok uit het eerste DBFMO (de renovatie van het Ministerie van Financiën). Naar eigen zeggen kon hij de architectonische kwaliteit van het project niet bewaken. Een evaluatie om dit te verdedigen of te weerleggen is nog niet mogelijk, omdat op dit moment slechts enkele projecten in voorbereiding of reeds aanbesteed zijn. Het is echter wel mogelijk om op basis van de opvattingen van de Rijksbouwmeester over het ontwerp- en aanbestedingsproces, te bepalen of DBFMO hieraan voldoet, en logischerwijs architectonische kwaliteit zal waarborgen.

Leidend

DBFMO en het traditionele contractmodel verschillen op tal van aspecten. Er zijn twee grote verschillen die in dit kader interessant zijn. Ten eerste de afgenomen invloed van de opdrachtgever. Het gebruik van DBFMO geeft marktpartijen de mogelijkheid om, binnen bepaalde grenzen, een oplossing te bieden. Hierdoor hebben de marktpartijen meer invloed op het ontwerp en de realisatie. Door de afgenomen invloed van de opdrachtgever worden de omschrijving van de vraag en criteria leidend in het proces. Daarbij verschillen de contractvormen in het moment van ontwerpen.
Traditioneel vindt het ontwerpproces plaats tijdens de contractperiode, maar bij DBFMO wordt reeds in het aanbestedingsproces een voorlopig ontwerp verlangd. Dit bemoeilijkt overleg over het ontwerp. De waarborging van de architectonische kwaliteit zal hierdoor in het omschrijven van de vraag en criteria én in het aanbestedingsproces moeten plaatsvinden. Doordat het omschrijven van vraag en criteria op dit gebied in de praktijk lastig blijkt, komt de nadruk te liggen op de mogelijkheden in het aanbestedingsproces om kwaliteit af te dwingen.
Om een situatie te creëren waarin de Rijksbouwmeester architectonische kwaliteit kan waarborgen, moet het aanbestedingsproces ruimte bieden voor de implementatie van zijn opvattingen over een goede inrichting van het ontwerp- en aanbestedingsproces. Uit vergelijking van deze opvattingen en de karakteristieke kenmerken van DBFMO is echter vastgesteld dat deze op meerdere punten conflicteren. Zo is DBFMO ingericht als een contractmodel waarin de marktpartij voornamelijk schriftelijk gestuurd wordt door vraag en criteria, terwijl de Rijksbouwmeester juist belang hecht aan een dialoog. Bovendien is DBFMO voornamelijk gebaseerd op financiële motieven. Er wordt bijvoorbeeld enkel getoetst of DBFMO financieel voordeel biedt boven traditionele aanbesteding, zonder rekening te houden met eigenschappen van het project die gebruik wellicht verhinderen of bemoeilijken.
Binnen de huidige opzet van DBFMO is het voor de Rijksbouwmeester dan ook niet mogelijk om architectonische kwaliteit te garanderen. Mede doordat hij in eerste instantie niet betrokken werd in het vormgeven van de contractvorm, lijken de overheidsambities die hij behartigt het onderspit te hebben gedolven voor financiële motieven.

Geschiktheid

Indien het Rijk haar ambitie op het gebied van architectonische kwaliteit wil waarmaken, dient zij het gebruik van DBFMO anders toe te passen.
De huidige toepassing verhindert de Rijksbouwmeester om kwaliteit te bevorderen en te bewaken. Het Rijk zou tenminste de financiële toets voor geschiktheid van DBFMO uit moeten breiden met een toets die eigenschappen van het project in kaart brengt. Want als voorafgaand aan het project al blijkt dat de klant zoveel invloed niet wil afstaan, of het project politiek of maatschappelijk gevoelig ligt, is het gebruik van DBFMO eigenlijk al een verloren zaak.
Ir. Heleen Geerligs,
Delft (studeerde op 6 juli 2006 af aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft).

Reageer op dit artikel