nieuws

Mels, Jo, Wytze en Tjeerd zijn een beetje als de koningin

bouwbreed Premium

rotterdam – De Rijksbouwmeester is een mooi archaïsch instituut. Een stille kracht op de achtergrond met veel invloed, net als het koningschap. Houd die benoemingsprocedure dus maar lekker besloten, bepleitte Wytze Patijn tijdens een debat met alle nog levende (oud)rijksbouwmeesters.

Ze waren er bijna allemaal. Mels, Jo, Wytze, Kees, Jan, Tjeerd en Wim. Alleen Frans liet verstek gaan. Frans van Gool wel te verstaan, die tussen �86 en �88 betrekkelijk kort rijksbouwmeester was. Hij gaf er de brui aan toen hij een reumatische aandoening kreeg, maar zeker ook omdat hij nauwelijks grip kreeg op de veranderende rol van de Rijksgebouwendienst. De man die zichzelf ooit een architect van het tweede garnituur noemde, hield het niet lang vol tussen de prima donna�s in Den Haag. Via een video sprak hij zijn collega�s vrijdagmiddag nog wel even kort toe.

Die maakten er een gezellig onderonsje van in het Nederlandse Architectuurinstituut (NAi). Het debat dat ze voerden vormde de aftrap van een tentoonstelling over 200 jaar rijksbouwmeesterschap die nog te zien is tot 1 oktober. De oudste oud-rijksbouwmeester Wim Quist (1975-1979) toonde zich jaloers over de brede invulling van de functie tegenwoordig. Behalve rijksgebouwen houdt de rijksbouwmeester zich immers ook bezig met infrastructuur, landschap en monumenten. Vergeleken daarmee voelde hij zich slechts een nederige metselaar.

Jo Coenen gaf aan hoe trots hij wel was. De man die altijd vol afgunst keek naar de architectuur in de mediterrane streken kwam rechtstreeks ingevlogen uit Genua waar hij een groep vakgenoten had toegesproken. Voor de verandering waren de rollen eens omgekeerd geweest en hadden zij nu ademloos aan zijn voeten gezeten. De Italianen hadden zich verbaasd over de aanjagende rol van de rijksbouwmeester en de invloed die dat heeft op de architectuur in ons land.

Het is inderdaad een bijzondere functie, benadrukte Mels Crouwel nog maar eens, de man die sinds anderhalf jaar de stoel bezet. “Op de keper beschouwd is Nederland het enige land ter wereld met een rijksbouwmeester. Je hebt het misschien niet altijd makkelijk; maar als je volhardt kun je wel wat voor elkaar krijgen.” Zelf is Crouwel momenteel verwikkeld in een slag met minister Peijs die voortdurend roept dat ze niet voor de cultuur is maar voor de kilometers. “Ze heeft geen enkele affiniteit met de ruimtelijke inpassing van infrastructuur.”

Wat vooral duidelijk werd tijdens het debat was dat de rijksbouwmeesters mooi op elkaar voortbouwen. Want Wytze Patijn worstelde tijdens zijn zittingsperiode enorm met de Europese inschrijvingen en bureaucratische selectieprocedures waarvoor hij een nieuwe aanpak bedacht. Jo Coenen gaf aan daar veel baat bij te hebben gehad. Net zoals Kees Rijnboutt profiteerde van de discussie over stedenbouwkundige context die door zijn voorganger Jan Peereboom Voller was aangezwengeld.

Eigenlijk is dat curieus, constateerden de oud-rijksbouwmeesters zelf ook, want aan overdracht was nooit iets gedaan. Crouwel en Coenen hebben ooit twee uur met elkaar gesproken, maar daarmee was de kous af. Patijn had nooit tijd gevonden om Coenen bij te praten. Quist had zijn voorganger Vegter helemaal nooit gesproken.

Heel erg vonden ze dat overigen niet. De continuïteit zat altijd in het bureau Rijksbouwmeester, dat tegenwoordig is omgedoopt tot Atelier Rijksbouwmeester.

Achterkamertjes

En dat de benoeming van een opvolger een kwestie is van achterkamertjes vond ook geen van de aanwezigen een punt. “Hoe moet het dan?”, vroeg Crouwel hardop. “Ik zie niets in een democratische openbare verkiezing.”

Patijn verwoordde de gevoelens van zijn collega�s het treffendst. “De rijksbouwmeester is een heel archaïsche functie. Een stille kracht die op de achtergrond opereert en aan allerlei lijntjes trekt, maar wel heel veel invloed heeft. Het is beetje als de koningin, die wordt ook niet verkozen. En dat is prima zo.”

Reageer op dit artikel