nieuws

Opdrachtgevers aan het woord

bouwbreed Premium

Het waren lang niet allemaal tienen die opdrachtgevers aan bouwbedrijven uitdeelden. Vooral op het vlak van de klantvriendelijkheid en het aandragen van eigen ideeën door de bouwers is er nog het nodige te verbeteren. Alles bij elkaar werden er echter weinig onvoldoendes gegeven in het rapport dat het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) voor […]

Het waren lang niet allemaal tienen die opdrachtgevers aan bouwbedrijven uitdeelden. Vooral op het vlak van de klantvriendelijkheid en het aandragen van eigen ideeën door de bouwers is er nog het nodige te verbeteren. Alles bij elkaar werden er echter weinig onvoldoendes gegeven in het rapport dat het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) voor de Regieraad Bouw samenstelde. Het onderzoek is bedoeld als een nulmeting die in de komende jaar wordt gevolgd door nieuwe peilingen die naar gehoopt wordt betere prestaties zullen registreren.

De tijd zal het leren, hoewel veranderingen meestal niet in een heel korte periode totstandkomen en ook meteen zichtbaar worden in het totale beeld.

Misschien is het ook goed te letten op specifieke veranderingen die een voorbode kunnen zijn. Een redelijk rapportcijfer dus. De vraag is natuurlijk wat dit duidelijk maakt. Er is geen vergelijkbaar onderzoek in andere bedrijfstakken waarin opdrachtgevers bij het fiatteren van een offerte maar moeten afwachten hoe het resultaat er uit zal zien. Daar kennen we alleen de verhalen van. In hoeveel gevallen hebben automatiseringsopdrachten geleid tot onmiddellijke volle tevredenheid bij klanten, hoe vaak moest het over of worden bijgesteld? Worden alle adviesopdrachten en onderzoeken met een voor de klant bruikbaar resultaat opgeleverd? Zijn bestelde machines, schepen, vliegtuigen en andere bestellingen in de maakindustrie steeds op tijd en zonder haperingen afgeleverd?

Het zijn retorische vragen, maar wel van belang om de relatieve positie van de bouwbedrijven te schetsen. Opvallend in het EIB-onderzoek is, dat veel opdrachtgevers nog vasthouden aan het traditionele opdrachtgevermodel met als goede tweede het bouwteam. Ook de eigen of gedelegeerde directiefunctie scoort hoog. Als er van veranderingen sprake is, komt deze vooral uit de hoek van overheden die meer de richting van design & construct willen uitgaan. Op zich is dit opvallend, want nogal afwijkend van de private opdrachtgevers. Wel past de aantekening dat overheden verhoudingsgewijs veel meer in de gww opdragen en in de b&u maar een kleine speler zijn.

De onderzoekers van het EIB schenken ook aandacht aan de factor vertrouwen in de relatie tussen overheidsopdrachtgevers en bouwbedrijven. Hier wordt een gemiddeld rapportcijfer van 6.5 genoteerd. Dat moet beter kunnen. Tegen de achtergrond van de bouwenquête naar de praktijken bij aanbestedingen vind ik het cijfer betrekkelijk hoog. Eerder onderzoek van het EIB liet echter al aanduidingen in deze richting zien.

Private opdrachtgevers geven overeenkomstige cijfers als het gaat om de vraag van het vertrouwen. Al met al leveren de uitkomsten van het onderzoek niet een beeld op van verstoorde verhoudingen of een bedrijfstak die in grote problemen verkeert.

Er zijn veel wensen, er kan en moet het nodige verbeterd worden, maar er zijn geen aanwijzingen dat de gehele bedrijfstak nodig op de schop moet. Het voortdurend op dit laatste hameren kan als het dan toch gaat om imago op enig moment eerder schade dan verbetering van dit image opleveren. Dit geldt ook voor de opvatting die wijst in het vervangen van de top van de bouwbedrijven. Deze zou de competentie en het aanzien missen om de bedrijven op een juiste manier naar de toekomst te loodsen. Bouwbrede praktijken bij een deel van de orderverwerving worden hiermee bepalend geacht voor het leiden van bouwbedrijven. Eén, op zichzelf belangrijk, facet zou dan het totale beeld bepalen. Ook op dit punt zou een vergelijking met de praktijk van het zakendoen en de mate van kartelvorming in andere bedrijfstakken nuttig zijn.

Dat overal ter wereld mededingingswetgeving bestaat, er overal mededingingsautoriteiten zijn en in Brussel mevrouw Kroes zetelt, zegt voldoende over de algemene neiging van opdrachtnemers om tegenover hun klanten bij elkaar te kruipen. Dat was ook zo in de bouw.

Reageer op dit artikel