nieuws

Fijnstofnormering: aanslag op het gezonde verstand

bouwbreed

De Europese fijnstofnormering is – op advies van de Wereldgezondheidsorganistie WHO – gebaseerd op de gezondheid van mensen, inclusief de minder schadelijke deeltjes. Dit zei Mirjam de Rijk, algemeen directeur Natuur en Milieu, onlangs in NRC Handelsblad. “Je kunt die niet zomaar buiten beschouwing laten zonder ook meteen de norm aan te passen”, aldusDe Rijk. En dat is nu precies wat Hugo Priemus voorstelt: pas de norm aan en druk die norm uit in de enige eenheid die er toe doet: de concentratie zeerkleine fijnstofdeeltjes (PM 2.5, en niet PM 10.0) en dan alleen de kwaadaardige deeltjes (niet het zeezout, het zand en het bodemstof).

Genoemde logische gedachte is al eerder voorgesteld door prof.dr. C.P. van Schayck, hoogleraar preventieve geneeskunde van de Universiteit van Maastricht, die bij schoolkinderen onderzocht welke kleine deeltjes de longfunctie aantasten. Het blijkt te gaan om poly-aromatische koolwaterstoffen (pak� s) en zware metalen die vrijkomen bij verbrandingsprocessen, in de industrie, de landbouw en het verkeer. Die beschadigen in de longen de celwanden en veroorzaken ontstekingen.

In NRC Handelsblad van 25 juni 2005 citeert Bart Meyer van Putten in het artikel �Agressief stof� dr. Van Schayck die betoogt dat de huidige Europese richtlijn veel te grof is. Er moet niet naar PM 10 worden gekeken maar naar PM 2.5: stofdeeltjes met een doorsnede van 2.5 micrometer en kleiner. De richtlijn moet zich voorts richten op stofdeeltjes met een hoog radicaal genererend vermogen, en de onschuldige deeltjes buiten beschouwing laten. In navolging van dr. Van Schayck stel ik vast dat de Europese normen niet deugen. Daarnaast is er veel mis met de wijze waarop Nederland deze Europese richtlijn omzet in nationale regelgeving.

In de Milieubalans 2005 constateert het Milieu en Natuurplanbureau dat Nederland de EU-luchtkwaliteitsrichtlijnen relatief strikt implementeert. Dat blijkt uit een vergelijkend onderzoek in een aantal EU-landen. Met name worden genoemd:

– de sterke integratie in Nederland van luchtkwaliteitsbeleid en ruimtelijke ordening;

– de fijnstofnormen worden in Nederland toegepast ongeacht de vraag of daadwerkelijk blootstelling plaatsvindt;

– de grenswaarden gelden ook voor ruimtelijke plannen die geen effect hebben op de luchtkwaliteit, maar wel op het aantal blootgestelde mensen (bijvoorbeeld: stedelijke herstructurering);

– de luchtkwaliteit wordt in Nederland gedetailleerd gemeten en in detail in modelberekeningen opgenomen. Elders gebeurt dat veel minder gedetailleerd.

Door deze opeenstapeling van starre koppelingen heeft de Raad van State inmiddels een groot aantal bestemmings- en bouwplannen vertraagd of stopgezet. Vaak betreft het overigens plannen waarbij toelichting en onderbouwing goeddeels ontbreken.

Geloofwaardigheid

De verwarring wordt nog vergroot door het feit dat er uiteenlopende methoden worden toegepast met grote verschillen in uitkomsten. De meetmethoden en toe te passen modellen zijn in de normering niet goed vastgelegd. Of een bouwplan voldoet aan de fijnstofnormering hangt nu sterk af van het bureau dat men in de arm neemt. Dat tast de geloofwaardigheid van de normering verder aan.

Toen de Europese Commissie de Europese fijnstofnormen vaststelde, had men geen idee van de gevolgen voor volksgezondheid, ruimtelijke ontwikkeling en bouwactiviteiten. Toen Nederland als enig EU-lid deze krakkemikkige normen direct koppelde aan bouw- en bestemmingsplannen, is er evenmin gekeken naar de consequenties. Pas nu de draconische gevolgen in beeld komen, nemen we alom geschipper en geschuif waar. Zo is per 5 augustus 2005 in het Nederlandse Besluit Luchtkwaliteit de aftrekmogelijkheid geïntroduceerd voor alle gemeenten van west naar oost, van 7 tot 3 microgram PM 10/m3 lucht voor de jaargemiddelde waarde, vanwege het �natuurlijke zoutgehalte�.

Voor de 24-uurswaarde voor PM 10 mag voor heel Nederland een aftrek plaatsvinden van zes dagen (van het berekende aantal overschrijdingsdagen). Daarnaast worden de mogelijkheden nu intensief verkend om de saldobenadering toe te passen: normoverschrijdingen zouden kunnen worden gecompenseerd door ruimte ten opzichte van de norm elders. Gemeenten en marktpartijen maken zich terecht zorgen over de centralistische en bureaucratische gevolgen van een relatief grootschalige gebiedsgerichte benadering.

Minister Dekker onderzoekt nu of toetsing aan luchtkwaliteitsnormen achterwege kan blijven bij bouwprojecten met een volume tot ongeveer 2000 woningen. Zij wil ontkoppeling van fijnstofnormen en projecten die niet in betekenende mate leiden tot luchtvervuiling (Cobouw, 3 november 2005, nummer 206).

De prangende vraag blijft hangen of dit passen en meten in de Nederlandse polder wel naadloos past binnen de Europese Richtlijn. Dit zal vermoedelijk pas blijken als er voldoende jurisprudentie is opgebouwd.

Ik ben vóór milieu en vóór natuur. Als de milieubeweging zich echter kritiekloos schaart achter ondeugdelijke milieunormen die met de volksgezondheid slechts vaag samenhangen en die zodanig strak worden gekoppeld aan bouw- en bestemmingsplannen dat de toch al bescheiden bouwproductie krakend tot stilstand komt, zal de milieubeweging geconfronteerd worden met een toenemende vervreemding en een afnemend draagvlak.

Een krachtige herbezinning op de luchtkwaliteitsnormen in Europa en Nederland zal niet alleen de bouw- en ontwikkelingswereld, maar ook de milieubeweging goed doen.

Hugo Priemus

Hoogleraar faculteit Techniek, Bestuur en Management, TU Delft en wetenschappelijk directeur Habiforumprogramma �Vernieuwend Ruimtegebruik� (met dank aan mr. Loes Schutte-Postma, faculteit TBM, TU Delft).

h.priemus@tbm.tudelft.nl

Huidige Europese richtlijn is

veel te grof

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels