nieuws

Grootschalige controle bodemsanering

bouwbreed

den bosch – Met nog enkele hondderdduizenden vervuilde locaties te gaan, komt het falende toetsingsbeleid van provincies en gemeenten des te harder aan. Daarom moet het roer drastisch om, vindt VROM-staatssecretaris Van Geel. De ministeriële inspectiedienst gaat de komende tijd bij niet minder dan 20 procent van de afgeronde bodemsaneringen controleonderzoek uitvoeren.

�Bodem in zicht II� heet het rapport dat de staatssecretaris eind augustus naar de Tweede Kamer zond in het licht van de zeer noodzakelijk geworden beleidsvernieuwing bodemsanering. Beeldbepalende zinsnede in de begeleidende brief was “dat slechts bij vier (van de 22) bevoegde gezagen het toezicht zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin voldoet”.

Vandaag wordt in Den Bosch, tijdens het symposium �Eenvoudiger en beter� toegelicht, hoe de problemen worden aangepakt. Aan het rapport zijn door de VROM-Inspectie namelijk stevige minimumcriteria toegevoegd voor het toekomstig toezicht op bodemsaneringen.

Bij de grootschalige toetsingsaanpak wordt gekeken of de doelstelling van saneringen is bereikt en of het evaluatierapport daarover correct is. Volgens Van Geel is het resultaat van een eerste verkennende controle namelijk, dat bij veel bodemsaneringen “verontreinigingen zijn aangetoond die een afwijking vormen ten opzichte van het eerder vastgelegde saneringsresultaat en/of de saneringsdoelstelling”.

Bij 15 van de 21 geverificeerde locaties was sprake van een �belangrijke afwijking� en vier locaties kregen de indicatie �humaan risico�. Overigens bleek nergens de situatie zo ernstig dat direct ingrijpen nodig was.

Belemmering

Het ontbreken van een vastgesteld adequaat niveau vormt een belemmering voor verdere verbetering bij de toeting van bodemsaneringen, zo consteerde de inspectiedienst. Op basis van voorbeeldmateriaal van provincies en gemeenten zelf zijn vervolgens de minimumcriteria vastgesteld. De kwalitatieve uitgangspunten daarbij worden omschreven als: onafhankelijk, transparant, toegerust en gericht.

De praktische minimumcriteria omvatten zes punten: aanvangsbeoordeling, fysieke inspecties, referentie monstername op verschillende momenten, administratieve controles en ketentoezicht, beoordeling van monitorings- en evaluatierapporten en – het lijkt een beetje achterin weggestopt – verificatief bodem/grondwateronderzoek.

Bij dit laatste punt stelt de VROM-Inspectie letterlijk: “Het bevoegd gezag moet na afronding van de saneringswerkzaamheden bij een significant aantal locaties (ten minste bij 20 procent) een verificatieonderzoek uitvoeren.” Daarbij moet de onderzoeksopzet per locatie op maat worden gemaakt.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels