nieuws

Vakantiespreiding in bouw nog steeds ongebruikelijk

bouwbreed

dit onderwerp gesteld. Zes op de tien werknemers gaat liefst hoogzomer op vakantie.

In 1996 meldde ruim tweederde van de werkenden dat het bouwbedrijf waar men werkzaam was in de zomer collectief sloot. In 2003 zijn de geluiden niet anders. Ook het percentage dat met een gedeeltelijke sluiting werd geconfronteerd of waar met een minimale bezetting werd doorgewerkt, is nauwelijks gewijzigd. Dat was en is ongeveer een kwart. Slechts ruim 5 procent zegt – zowel in 1996 als in 2003 – dat het bedrijf niet sloot en er gewoon gedurende de zomerperiode werd doorgewerkt.

Gevraagd naar de wijze waarop de vakantieperiode is vastgesteld, zegt de helft van de bouwwerknemers dat het bedrijf dat heeft gedaan. Twintig procent zegt dat de vakantieperiode in overleg met de ondernemingsraad tot stand is gekomen. Bijna 30 procent van de bouwwerknemers heeft de vakantieperiode zelf met zijn werkgever geregeld. Ook deze uitkomsten verschillen nauwelijks of niet van die van zeven jaar geleden. Hoewel maar 30 procent van de bouwplaatswerknemers zijn vakantieperiode in overleg met de werkgever heeft vastgesteld, zegt de helft dat er in principe de mogelijkheid bestond die periode in overleg met de werkgever zelf te kiezen. Blijkbaar heeft toch een behoorlijk aantal bouwwerknemers die behoefte niet. Daarom is het niet zo verwonderlijk dat bijna 20 procent van de bouwwerknemers negatief staat tegenover een meer individuele vakantieregeling bij hun bedrijf en een kwart neutraal.

Gegeven de praktijk van het vakantievieren is het weinig verbazingwekkend dat maar een gering percentage werknemers de collectieve sluiting als een knelpunt ervaart. In 1996 maakte 20 procent bezwaar, in 2003 is het aandeel met 15 procent nog lager. Verreweg het belangrijkste knelpunt vindt die groep dat men geen vrije keuze heeft om de zomervakantie op te nemen.

Verandering

Ten opzichte van 1996 is er wel een verandering opgetreden in de duur dat de bouwbedrijven die collectief dichtgingen, gesloten waren. In 1996 zei nog ruim 80 procent van de werknemers dat hun bedrijf 3 à 4 weken gesloten was en ruim 15 procent minder dan 3 weken. In 2003 waren de vergelijkbare percentages 70 en 30. Bouwbedrijven zijn dus minder lang collectief gaan sluiten. Ervan uitgaande dat een bouwwerknemer in de zomer gemiddeld drie tot vier weken aaneengesloten vakantie opneemt, lijkt er sprake van een toenemende spreiding van de vakantie van bouwwerknemers voor of na de periode van collectieve bedrijfssluiting.

Opvallend is dat bijna 60 procent van de bouwplaatswerknemers voorkeur heeft voor een lange vakantie in het hoogseizoen. Met andere woorden: geen problemen heeft met een collectieve zomersluiting. Bijna 15 procent is voor een lange zomervakantie buiten het hoogseizoen en nog eens ruim een kwart is voorstander van meerdere korte vakanties door het jaar heen. Ook nu weer wijken de uitkomsten niet af van die uit 1996. Bouwwerknemers zonder kinderen kiezen significant vaker voor meerdere kortere vakanties over het jaar.

Dat eenderde van het bouwplaatspersoneel negatief staat tegenover een meer individuele vakantieregeling in zijn bedrijf, heeft duidelijk te maken met de verwachting dat zo�n regeling tot bezettingsproblemen leidt op het werk, problemen in de materiaalvoorziening, beschikbaarheid van onderaannemers en verstoringen en vertragingen in het bouwproces.

De conclusies uit het onderzoek zijn duidelijk. De collectieve sluiting komt nog bij veel bouwbedrijven voor. In het algemeen zijn de bouwplaatswerknemers daar niet ongelukkig mee en zien ze ook wel problemen bij een meer individuele vakantieregeling. De meerderheid heeft in principe de mogelijkheid individueel met zijn werkgever vakantieafspraken te maken.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels