nieuws

Toetspeilen blijken te laag geschat

bouwbreed

delft – Dat sommige rivier- en zeedijken ondanks alle ophogingswerkzaamheden alsnog iets te laag kunnen blijken, komt niet doordat te weinig ophoogmateriaal is gebruikt. Het is een gevolg van te laag geschatte toetspeilen. Dat geldt zowel voor de golfbelasting in de kustwateren als voor de toetspeilen van de Rijn en zijtakken daarvan, zo blijkt uit het voorwoord van staatssecretaris Schultz (Verkeer en Waterstaat) op het zojuist verschenen boekwerk De veiligheid van de primaire waterkeringen in Nederland.

Het boekwerk telt 460 pagina�s en het geeft daarmee een indrukwekkende doorsnede van de tot nog toe vergaarde kennis over de strijd tegen het water, of het nu gaat om dammen en dijken of om duinen en kunstwerken zoals de Stormvloedkeringen. Dat veiligheid centraal staat blijkt uit de ondertitel: Voorschrift Toetsen op Veiligheid voor de tweede toetsronde 2001-2006 (VTV).

Staatssecretaris Schultz houdt 1 januari 2006 aan als peildatum voor de beoordeling van “de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen”. Dan moet de huidige toetsingsronde zijn afgerond. Dat zal nog “een grote inspanning vergen voor de waterkeringbeheerders”, aldus Schultz. Op 1 juli van hetzelfde jaar wil ze verslag uitbrengen aan de Staten-Generaal. Die heeft zij overigens al in februari 2003 op de hoogte gesteld van de nieuwste inzichten over de golfrandvoorwaarden.

De nieuwe golfhoogten voor de Hollandse kust zijn nog niet opgenomen in het zojuist verschenen boekwerk. Dat zal naar verwachting pas vanaf 2006 gebeuren. Tot die tijd blijft het zogenoemde beheerdersoordeel meewegen in de toetsing.

In haar voorwoord op het VTV-boekwerk maakt Schultz er expliciet gewag van. “Door de uitkomst van de toetsing te vergelijken met het beheerdersoordeel wordt zichtbaar welk waterkeringen niet aan de norm voldoen als gevolg van de nieuwe inzichten met betrekking tot de golfrandvoorwaarden.”

Die randvoorwaarden worden gebruikt bij het ontwerpen en beoordelen van zaken als dijkhoogte en taludbekleding. De officiële randvoorwaarden uit 1996 bleken daarvoor niet altijd toereikend.

Dat werd vastgesteld door het Projectbureau Zeeweringen van het Rikz, het Rijksinstituut voor Kust en Zee, toen dat de golfbelastingen op de steenbekledingen langs de Oosterschelde ging meten. Het resultaat was verrassend: de golfbelastingen bleken gemiddeld hoger te zijn dan die uit de officiële randvoorwaarden, ofwel er kunnen meer dijken onveilig zijn dan daarvoor was aangenomen.

Vandaar dat aan de toetsing het beheerdersoordeel is toegevoegd. Dat maakt het de beheerders van waterkeringen mogelijk al vóór 2006 in te grijpen als dat bij bepaalde dijkvakken nodig mocht blijken.

Het gaat in de VTV 2001-2006 niet alleen om de kustverdediging. Ook het rivierengebied krijgt veel aandacht. Daar is namelijk ook het een en ander in beweging.

Zoals Schultz dat in haar voorwoord zegt: “De thans uit te voeren toetsing, alsmede de toetsingen 2011 en 2016, hebben voornamelijk tot doel om inzicht te krijgen in welke mate de waterkering (nog) niet voldoet aan de in de Wet op de waterkering gestelde norm. In die zin vormen de uit te voeren toetsingen een thermometer, waarmee het hoogwaterstandverlagend effect van de uitvoering van Ruimte voor de rivier bijgehouden kan worden.”

Die thermometer is nodig gebleken, want, zegt Schultz, “Het is mij bekend dat de toetspeilen volgens de hydraulische randvoorwaarden (HR 2001) met name voor de Rijn en haar zijtakken hoger uitvallen dan de toetspeilen volgens HR 1996. Daarom zal waarschijnlijk een groot deel van de waterkeringen in het rivierengebied niet meer aan de gestelde norm voldoen. Om die reden wordt thans gewerkt aan het project Ruimte voor de rivier, dat in essentie tot doel heeft om de verschillen in toetspeilen te elimineren, waarmee de huidige waterkeringen weer aan de norm zullen voldoen”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels