nieuws

Afgegraven vuilstort als baggerdepot In strijd met Europese regelgeving

bouwbreed

arnhem – Het financiële gat tussen storten of verwerken van verontreinigd baggerslib is nog steeds veel te groot. Daarom zullen marktpartijen lang aarzelen voor ze geld stoppen in het goed doordachte plan van W.J. van Vossen, senior adviseur bodem, afval en ruimte van Royal Haskoning. Zijn stortplaatsenplan werd vorige week gepresenteerd én uitgebreid becommentarieerd tijdens het symposium Zwemmen in bagger.

Het stortplaatsenplan van ir. Willem van Vossen is even simpel als doeltreffend. Door bestaande vuilstortplaatsen om te bouwen tot baggerdepots, slaat hij meer vliegen in één klap. Want de nazorg op veel oude vuilstortplaatsen is nu beperkt en dat kan op termijn tot problemen leiden. Daarom stelt Van Vossen voor ze af te graven en de bruikbare delen – zoals puin(granulaat) – van het afval te verkopen. In de honderden stortplaatsen kan vervolgens vervuild baggerslib worden opgeslagen. De transportkosten blijven laag omdat het om lokale depots gaat.

Grote kracht van Van Vossens plan is de biologische zelfreinigende werking die hij aan de nieuwe baggerdepots toekent. Vandaar de dubbelzinnige symposiumtitel. �Zwemmen in bagger� slaat uiteraard op de grote hoeveelheden slib waarin ons land lijkt te verdrinken. In het stortplaatsenplan kan het water van de baggerdepots echter ook worden gebruikt voor recreatieve doeleinden zoals zwemmen, vissen en surfen, zo gevaarloos moet het eindresultaat zijn.

Slim plan dus, wat kan daar op tegen zijn?

Tijdens de afrondende discussie onder leiding van voormalig Tweede-Kamerlid Rob van Gijzel werd al snel duidelijk, dat het stortplaatsenplan goed wordt ontvangen, maar de marktverhoudingen er waarschijnlijk voor zullen zorgen dat er vooralsnog niet in bagger wordt gezwommen.

De belemmeringen zijn te lage stortkosten, problemen rond aanbesteding en conflicten op mededingingsvlak. Daarnaast is er grote twijfel aan de voorgespiegelde opbrengsten van de te recyclen materialen uit bestaande stortplaatsen.

In een kosten-batenberekening op basis van een proeflocatie bij Tilburg, noemt Van Vossen een besparing van ruim 18 procent. Daarbij is uitgegaan van maar liefst 80 procent herbruikbaar, dus in potentie verkoopbaar, afval.

“Daarbij hebben we ons niet rijk gerekend, maar zo�n beetje alles meegeteld”, aldus Van Vossen, die toegaf dat “als je echt gaat graven je voor allerlei verrassingen komt te staan.” Dat zijn meestal verrassingen die veel geld kosten, bijvoorbeeld voor de sanering van giftige stoffen of het opruimen van asbesthoudend afval. Want het stortbeleid in eerdere decennia is niet altijd waterdicht geweest.

Uit milieuoogpunt is saneren een goede zaak, want opruimen is in veel gevallen beter dan de kans lopen op toekomstige grondwaterverontreinig of iets dergelijks.

Grote vraag is dan: wie betaalt de rekening? De marktpartijen voelen er weinig voor, zo werd al snel duidelijk. De overheid voelt zich evenmin geroepen in een periode dat het ons land economisch niet voor de wind gaat.

“Maar ook als we niks doen gaan die voormalige stortplaatsen ons (ooit) geld kosten”, zo meent Van Vossen. Komt zijn stortplaatsenplan wellicht te vroeg? Moeten we ermee wachten tot economisch betere tijden?

�Afvalmining� wordt het genoemd, naar Amerikaans voorbeeld; het opgraven van afval van voormalige stortplaatsen. Dat gaat de betrokken marktpartijen in eerste instantie geld kosten. Ook het omwerken van gedolven afval naar verkoopbare �producten� is niet gratis. Aangezien de afzet van die producten zeer twijfelachtig is – de prijzen zijn laag en het aanbod is groot – vragen die garanties.

Eén van de suggesties is de waterschappen een minimumprijsgarantie te vragen voor het slib dat ze gaan aanleveren. Een andere suggestie is om zowel de afvalmining als het aanleveren van baggerslib afzonderlijk aan te besteden, waarbij de transportkosten voor de brenger van het slib zijn. Weer een ander voorstel behelst het instellen van een Private Public Partnership of het op vergelijkbare wijze behandelen van de stortplaats annex baggerdepot als bij de exploitatie van een voormalige zandwinput.

“Maar lopen we dan niet op tegen de mededingingsregels?”, zo reageerde Rob van Gijzel tijdens het symposium �Zwemmen in bagger�. “Veel van deze oplossingen zijn strijdig met de Europese regelgeving.” Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het idee om waterschappen zelf die baggerputten te laten exploiteren. “Bovendien zal dat niet werken”, aldus Van Gijzel, “omdat gemeenten en waterschappen over het algemeen toch erg risicomijdend bezig zijn.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels