nieuws

Opdrachtgever en architect over functioneel ongeschikte bouwstof

bouwbreed

nog aan te pas is gekomen.

Wat was het geval? Een hoofdaannemer, B, heeft een architect een ontwerp laten maken in welk ontwerp het gebruik van Red Western Cedar wordt voorgeschreven voor de gevel. Onderaannemer, P, gaat aldus te werk, maar al snel na de oplevering komen er klachten van de bewoners over de kwaliteit van de kozijnen.

Zij starten op grond van de IW garantie een procedure bij het scheidsgerecht van het GIW, waar zij in het gelijk worden gesteld. B vordert vervolgens bij de Raad van Arbitrage dat P het herstel voor zijn rekening neemt. P verzet zich met succes daartegen.

Arbiters overwegen dat de keuze voor de houtsoort geheel afkomstig is van B, althans van diens ontwerper.

Oplettendheid

Er is sprake van een functioneel ongeschikte bouwstof als bedoeld in par. 5 lid 4 UAV 1989 en dat betekent dat in de relatie hoofdaannemer/opdrachtgever – onderaannemer de eerste het risico draagt.

De hoofdaannemer wendt zich daarop tot zijn ontwerper en start een procedure bij het AIBk: heeft de architect een verwijtbare fout in de zin van de SR 1988 gemaakt? Een verwijtbare fout wordt in omschreven in art. 55 lid 4 als volgt: �een fout, die een goed en zorgvuldig architect onder de desbetreffende omstandigheden, met inachtneming van normale oplettendheid en bij een normale wijze van vakuitoefening, behoort te vermijden�.

Arbiter is van mening dat de architect in dit geval geen verwijtbare fout maakte. De architect is afgegaan op algemene informatie betreffende de houtsoort; hij heeft contact opgenomen met een te goeder naam en faam bekend staande timmerfabriek, die geen bezwaar opwierp tegen de keuze voor de houtsoort en de onbehandelde toepassing. Hij heeft dan ook, aldus arbiter, zich voldoende van de eigenschappen van het hout op de hoogte gesteld en ook daadwerkelijk geverifieerd of de goede eigenschappen die aan het product werden toegeschreven in de praktijk ook wel tot hun recht kwamen.

Rekening houdend met de kennis en ervaring die op het moment van de keuze voorhanden waren, kan de architect geen verwijt gemaakt worden van de keuze. Dat de arbiters van de Raad oordeelden dat het om een functioneel ongeschikte bouwstof ging, maakt dit oordeel niet anders.

Het komt er dus op neer dat de opdrachtgever/hoofdaannemer met het risico van de verkeerde keus blijft zitten nu de architect geen verwijt gemaakt kan worden. Dit is in overeenstemming met wat we bijvoorbeeld in Engeland zien. Zoals een auteur het uitdrukt: architecten worden niet beoordeeld �by hindsight�; wat in een latere situatie verwijtbaar kan zijn vanwege een publicatie bijvoorbeeld, is dat mogelijk eerder niet in het zicht van gewone professionele kennis ten tijde van het ontwerpen.

Hoe zouden kaarten liggen als de aannemer een geïntegreerd opdracht had, een UAV-GC 2000 opdracht waarbij ontwerp en uitvoering bij hem zouden liggen?

Opdrachtnemers verplichting wordt dan beheerst door de basisovereenkomst en de algemene voorwaarden van de UAV-GC 2000. In par. 4 lid 3 van die voorwaarden wordt bepaald dat de opdrachtnemer gehouden is aan de eisen die voortvloeien uit het normale gebruik en aan de eisen die voortvloeien uit de basisovereenkomst.

In lid 9 van par. 4 is bepaald dat de opdrachtnemer verantwoordelijk is voor elk gebrek dat niet aan de opdrachtgever kan worden toegerekend en behoudens het bepaalde in par. 28. In par. 28 staat dan nog dat de opdrachtnemer na oplevering niet meer aansprakelijk is behoudens (samengevat) verborgen gebreken die voor zijn risico komen.

Het gaat bij de kozijnen om normaal gebruik (daar waren ze dus niet voor geschikt); ik ga er vanuit dat in de basisovereenkomst hier niets afwijkends over is afgesproken. Het is een verborgen gebrek. Dus blijft over de vraag: komt dit volgens de verkeersopvattingen voor zijn rekening? Volgens de architectenvoorwaarden niet, maar zijn dat wel verkeersopvattingen in dezen?

Deugdelijkheid

In de Engelse literatuur wordt in algemene termen gesproken, hetgeen suggereert dat de SR bepaling inderdaad de verkeersopvattingen zouden reflecteren. Maar stel dat we, zo redenerend, zouden komen tot niet aansprakelijkheid van de opdrachtnemer, waar laat dat dan de aansprakelijkheid uit hoofde van het bepaalde in par. 4 lid 3 UAV-GC? En komt hier niet via een achterdeur toch weer de knip in de aansprakelijkheid (ontwerpaansprakelijkheid en uitvoeringsaansprakelijkheid) terug waar nu juist zoveel bezwaren aan kleefden?

Naar alle waarschijnlijkheid zal in deze gevallen van een geïntegreerd contract aanknoping gezocht worden bij de vaste jurisprudentie van de Raad dat de aannemer heeft in te staan voor de deugdelijkheid van het door hem toegepaste materiaal en dat hij het risico draagt van mogelijke bijwerkingen daarvan.

Mr.dr. M.A.B. Chao-Duivis is directeur van het Instituut voor Bouwrecht in Den Haag. (mabchao@ibr.nl)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels